wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3vmbo Nederland na 1945

Total questions: 28

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

Hieronder twee stellingen over de wederopbouw in Nederland.

Stelling I: De meeste Nederlanders praatten met elkaar over de oorlog om dit te verwerken.

Stelling II: De Nederlandse regering begon gelijk met het bouwen van nieuwe huizen.

Welke stelling(en) is/ zijn juist?

a)

Stelling I is juist, stelling II is onjuist

b)

Stelling I is onjuist, stelling II is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

2.

Hieronder staan twee stellingen over de jaren 50.

Stelling I: De lonen in Nederland waren laag in vergelijking met andere landen.

Stelling II: De prijzen van Nederlandse producten waren laag in vergelijking met andere landen.

Welke stelling(en) is/ zijn juist?

a)

Stelling I is juist, stelling II is onjuist

b)

Stelling I is onjuist, stelling II is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

3.

Wat is een consumptiemaatschappij?

a)

Een samenleving waarin mensen alleen eten en drinken kunnen kopen

b)

Een samenleving waarin mensen spullen kopen die ze niet echt nodig hebben

c)

Een samenleving waarin mensen zonder luxe moeten leven

d)

Een samenleving waarin mensen geld kunnen sparen om bijvoorbeeld op vakantie te gaan

4.

Hier zie je de poster van de film "Rebel without a cause". Welk begrip past bij deze afbeelding? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

consumptiemaatschappij

b)

amerikanisering

c)

massacultuur

d)

informatiemaatschappij

5.

Vanaf het eind van de jaren 50 bepaalden films, reclame en muziek steeds meer hoe je eruit zag, wat je at en wat je in je vrije tijd deed.

Welk begrip past hier het beste bij?

a)

consumptiemaatschappij

b)

amerikanisering

c)

massacultuur

d)

informatiemaatschappij

6.

Welke woorden passen bij het begrip informatiemaatschappij?

a)

jeans

b)

televisie

c)

internet

d)

caravan

e)

McDonald's

7.

Wat is géén voordeel van een computer?

a)

Je kunt er een goede relatie mee opbouwen

b)

Je kunt er heel snel mee werken

c)

Je kunt er werk makkelijk mee bewaren

d)

Je kunt er makkelijk informatie mee uitwisselen

8.

Welke jeugdcultuur zie op de foto?

a)

nozems

b)

provo's

c)

punkers

d)

gabbers

e)

hippies

9.

Welke jeugdcultuur zie op de foto?

a)

nozems

b)

provo's

c)

punkers

d)

gabbers

e)

hippies

10.

Welke jeugdcultuur zie op de foto?

a)

nozems

b)

provo's

c)

punkers

d)

gabbers

e)

hippies

11.

Wat hoort er niet bij sociale controle?

a)

op elkaar en elkaars kinderen letten

b)

je gedrag wordt in de gaten gehouden

c)

je wordt gecorrigeerd als je vreemd gedraagt

d)

je dient een boete te betalen als je de regels overtreedt

12.

Eind jaren 50 gingen steeds meer mensen in steden wonen.

Was er in de stad meer, of juist minder sociale controle?

a)

meer

b)

minder

13.

Eind jaren 50 veranderde het gedrag van jongeren snel.

Hoe kwam dit? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

de welvaart begon te stijgen en daarmee ook de lonen

b)

Jongeren gingen langer naar school

c)

Jongeren bleven langer thuis wonen

d)

Jongeren gingen steeds beter samenwerken met ouderen

e)

er kwam meer vrije tijd

14.

Welke combinatie hoort bij de jeugdcultuur van de provo's?

a)

grote party's - brommers - milieubewust

b)

hoger opgeleid - minirokken - bemoeienissen met politiek

c)

lang haar - love and peace - kraakbeweging

d)

sneakers - protest tegen woningnood - blowen

e)

XTC - vetkuiven - uitdagen van gezag

15.

Welke combinatie hoort bij de jeugdcultuur van de punkers?

a)

grote party's - brommers - Speed

b)

hoger opgeleid - vetkuiven - milieubewust

c)

hanenkammen - muziekstijl met snel ritme - geen vertrouwen in de toekomst

d)

flower power- protest tegen Vietnamoorlog - rockmuziek

e)

hekel aan politie en leger - kraakbeweging - piercings

16.

Welk begrip past het beste bij de afbeelding?

a)

ontkerkelijking

b)

individualisering

c)

democratisering

d)

rollenpatroon

e)

jeugdcultuur

17.

Welk begrip past het beste bij de afbeelding?

a)

ontkerkelijking

b)

individualisering

c)

democratisering

d)

rollenpatroon

e)

gezinspolitiek

18.

Welk begrip past het beste bij de afbeelding?

a)

ontkerkelijking

b)

individualisering

c)

democratisering

d)

rollenpatroon

e)

gezinspolitiek

19.

Wat bedoelen we met gezinspolitiek?

a)

De regering stond gezinnen toe slechts één kind te krijgen, vanwege de economische moeilijkheden

b)

De regering stond gezinnen toe dat het hele gezin mocht werken

c)

De regering gaf gezinnen waarin alleen de vader een baan had, allerlei belastingvoordelen

d)

De regering stimuleerde na de oolog gezinnen om zoveel mogelijk inderen te krijgen

20.

Waarom was het zijn van huisvrouw in de jaren 50 vaak een zware taak?

Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Vrouwen waren door de Tweede Wereldoorlog verzwakt en minder sterk als daarvoor

b)

Er waren weinig huishoudelijke apparaten die vrouwen konden gebruiken

c)

Gezinnen in die tijd waren relatief groot in vergelijking met nu

d)

Vrouwen moesten na het trouwen verplicht blijven werken als ze een baan hadden als ambtenaar

21.

Waar kwamen vrouwen tijdens de tweede feministische golf voor op?

Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

voor algemeen kiesrecht

b)

voor doorbreking van het rollenpatroon

c)

gelijke kansen in opleiding en werk

d)

gelijke lonen bij gelijke arbeid

22.

Hoe heet deze actiegroep (foto)?

a)

Dolle Mina

b)

Malle Pietje

c)

Feministen

d)

Alletta Jacobs

23.

De regering kwam met wetten en maatregelen om de posite van de vrouw te verbeteren. Wat zijn twee voorbeelden hiervan?

a)

Mammoetwet 1968

b)

Trouwwet 1973

c)

Gelijke lonenwet 1991

d)

Abortuswet 1980

24.

Wat bedoelen we met positieve discriminatie?

a)

Dat vrouwen gelijke lonen krijgen als mannen

b)

Dat vrouwen voorrang krijgen bij banen als zij net zo geschikt zijn als mannen

c)

Dat vrouwen in de wet beschermd worden tegen discriminatie op de werkvloer

d)

Dat werkende vrouwen extra subsidie krijgen als ze kinderen hebben, zoals Kinderbijslag

25.

Hoe noem je de verdeling van de samenleving in groepen met een eigen politieke of godsdienstige overtuiging?

a)

rollenpatroon

b)

jeugdcultuur

c)

verzuiling

d)

doorbraak

26.

Hoeveel zuilen waren er in Nederland?

(a)  

27.

Welke politieke partij hoorde bij de katholieken?

a)

KVP

b)

ARP

c)

CHU

d)

PvdA

28.

Bij de ontzuiling fuseerden een aantal politieke partijen. Welke partijen fuseerden tot de CDA?

a)

PvdA en CHU

b)

ARP, CHU en KVP

c)

ARP en KVP

d)

CHU, PvdA en KVP