Font size
WorksheetsHavo 2 unité 3 afronding
Total questions: 28
Worksheet time: 4mins
Geef de vertaling van het volgende woord:
la forme
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
le bruit
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
la patte
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
la place
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
amusant
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
bouclé
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
van plastic
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
de maat
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
de persoon
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
de vrouw
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
de toren
(a)
Geef de vertaling van het volgende woord:
wegen
(a)
Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:
ik neem
(a)
Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:
zij neemt
(a)
Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:
jullie nemen
(a)
Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:
hij heeft genomen
(a)
Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:
u heeft genomen
(a)
Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:
zij hebben genomen (mannelijke vorm)
(a)
Vul de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in:
Le chien a une ... queue (petit)
(a)
Vul de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in:
Le truc a la couleur ... (rouge)
(a)
Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord:
Il y a une ..... fontaine. (beau)
beau
belle
beaux
bel
Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord:
nous adorons les .... oeuf blancs.
gros
grosse
grosses
Kies de juiste plek van het bijvoeglijk naamwoord:
on a pris le ..... (1) truc ... (2) (bleu)
1
2
Kies de juiste plek van het bijvoeglijk naamwoord:
Nous allons faire une ... (1) balade ... (2) (nouvelle)
1
2
Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:
... le livre de Marie (wij zoeken, chercher)
(a)
Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:
... au supermarché depuis quatre ans. (hij heeft gewerkt, travailler)
(a)
Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:
... un cadeau à ton père? (jij geeft, donner)
(a)
Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:
... une chansons fraçaise. (jullie zingen, chanter)
(a)
