wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 2 unité 3 afronding

Total questions: 28

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Geef de vertaling van het volgende woord:

la forme

(a)  

2.

Geef de vertaling van het volgende woord:

le bruit

(a)  

3.

Geef de vertaling van het volgende woord:

la patte

(a)  

4.

Geef de vertaling van het volgende woord:

la place

(a)  

5.

Geef de vertaling van het volgende woord:

amusant

(a)  

6.

Geef de vertaling van het volgende woord:

bouclé

(a)  

7.

Geef de vertaling van het volgende woord:

van plastic

(a)  

8.

Geef de vertaling van het volgende woord:

de maat

(a)  

9.

Geef de vertaling van het volgende woord:

de persoon

(a)  

10.

Geef de vertaling van het volgende woord:

de vrouw

(a)  

11.

Geef de vertaling van het volgende woord:

de toren

(a)  

12.

Geef de vertaling van het volgende woord:

wegen

(a)  

13.

Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:

ik neem



(a)  

14.

Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:

zij neemt



(a)  

15.

Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:

jullie nemen



(a)  

16.

Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:

hij heeft genomen



(a)  

17.

Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:

u heeft genomen



(a)  

18.

Geef de vertaling van de vorm van het werkwoord prendre:

zij hebben genomen (mannelijke vorm)

(a)  

19.

Vul de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in:

Le chien a une ... queue (petit)

(a)  

20.

Vul de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in:

Le truc a la couleur ... (rouge)

(a)  

21.

Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord:

Il y a une ..... fontaine. (beau)

a)

beau

b)

belle

c)

beaux

d)

bel

22.

Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord:

nous adorons les .... oeuf blancs.

a)

gros

b)

grosse

c)

grosses

23.

Kies de juiste plek van het bijvoeglijk naamwoord:

on a pris le ..... (1) truc ... (2) (bleu)

a)

1

b)

2

24.

Kies de juiste plek van het bijvoeglijk naamwoord:

Nous allons faire une ... (1) balade ... (2) (nouvelle)

a)

1

b)

2

25.

Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:

... le livre de Marie (wij zoeken, chercher)

(a)  

26.

Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:

... au supermarché depuis quatre ans. (hij heeft gewerkt, travailler)

(a)  

27.

Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:

... un cadeau à ton père? (jij geeft, donner)

(a)  

28.

Zet het werkwoord op -er in de juiste vorm:

... une chansons fraçaise. (jullie zingen, chanter)

(a)