wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Moleculen

Total questions: 53

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
2.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
3.
Welke moleculen zitten er in suikerwater?
a)
suikerwatermoleculen
b)
alleen suikermoleculen
c)
suikermoleculen en watermoleculen
4.
Bij welke faseovergang gaan de moleculen sneller bewegen?
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
5.

De moleculen trillen op hun plaats. Bij welke fase hoort deze beschrijving?

a)

Gas

b)

Vast

c)

Vloeibaar

d)

Opgelost

6.

Het deeltjesmodel bestaat uit:

a)

Moleculen

b)

Atomen

7.

Wat is een goede beschrijving van een mengsel?

a)

Een mengsel bestaat alleen als vloeistof

b)

Een mengsel bestaat alleen in vaste vorm

c)

Een mengsel bestaat uit 1 soort moleculen en kan in alle fases voorkomen

d)

Een mengsel bestaat uit meerdere soorten moleculen en kan in alle fases voorkomen

8.

Welke fase worden hier afgebeeld van links naar rechts?

a)

vast-vloeibaar-gas

b)

gas-vloeibaar-vast

c)

vast-gas-vloeibaar

d)

Uit deze afbeelding kan ik geen fase aflezen

9.

Is dit een zuivere stof of een mengsel?

a)

Mengsel

b)

Zuivere stof

10.

Hoeveel stofdeeltjes bevat dit mengsel?

a)

3

b)

1

c)

4

d)

2

11.

Duidt de juiste definitie aan van een mengsel? (er kunnen meerdere antwoorden zijn).

a)

Stof die bestaat uit slechts 1 soort deeltjes.

b)

Stof die bestaat uit meerdere soorten deeltjes.

c)

stof die gevormd wordt door samenvoeging van 2 zuivere stoffen.

12.

Wat is de fase-overgang van vast naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Bevriezen

c)

Condenseren

d)

Rijpen

13.

Wat is de fase-overgang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

14.

Welke fase-overgang is er als mijn trui hangt te drogen aan de waslijn?

a)

Condenseren

b)

Stollen

c)

Verdampen

d)

Vervluchtigen

15.

Ik heb een natte hand nadat ik eerst een ijsblokje had. Wat is er gebeurd?

a)

Het ijs is gestolt

b)

Het ijs is gesmolten

c)

Het ijs is bevroren

d)

Het ijs is vervluchtigt

16.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
17.

Bij het experiment met de bol van 's Gravesande, zet de bol uit als je hem verwarmt.

a)
waar
b)
niet waar
c)

Geen idee

18.
Gassen kunnen ook uit zetten
a)
waar
b)
niet waar
c)

geen idee

19.

bij verwarming zetten de meeste stoffen uit

a)

waar

b)

niet waar

20.

als een voorwerp uitzet, wordt het volume groter.

a)

soms

b)

vaak

c)

altijd

d)

nooit

21.

als een voorwerp krimpt, wordt het volume groter.

a)

soms

b)

vaak

c)

altijd

d)

nooit

22.

lucht krimpt als het afkoelt

a)

waar

b)

niet waar

23.

wat doet het water hier?

a)

bevriezen

b)

verdampen

24.

Wat is de fase-overgang van vast naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Bevriezen

c)

Condenseren

d)

Rijpen

25.

Wat is de fase-overgang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

26.

Wat is verdampen?

a)

Van gas naar vloeibaar

b)

Van gas naar vast

c)

Van vast naar gas

d)

Van vloeibaar naar gas

27.

De afstand tussen de deeltjes bij een gas is

a)

Groot

b)

Klein

c)

Heel klein

28.

Bij een hogere temperatuur gaan deeltjes

a)

groter worden

b)

sneller bewegen

c)

trager bewegen

d)

kleiner worden

29.

Wanneer een stof condenseert, wordt de stof...

a)

een gas

b)

een vaste stof

c)

een vloeistof

30.

Welke faseovergang is weergegeven met e?

a)

smelten

b)

stollen

c)

vervluchtigen

d)

rijpen

31.

Welke aggregatietoestand herken je?

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gas

32.

De geur van een stuk zeep kan je waarnemen doordat de zeep ...

a)

smelt

b)

verdampt

c)

sublimeert

d)

condenseert

e)

desublimeert

33.

In een vaste stof rollen de deeltjes over elkaar.

a)

Juist

b)

Fout

34.

De faseovergang van gasvormig naar vast heet...

a)

Stollen

b)

Smelten

c)

Condenseren

d)

Desublimeren

35.

In een vloeistof zitten de moleculen tegen elkaar aan, maar kunnen nog wel langs elkaar bewegen

a)

juist

b)

onjuist

36.

Verdampen is de faseovergang van vast naar gasvormig

a)

juist

b)

onjuist

37.

Bij koude lucht zitten de deeltjes dichter bij elkaar dan bij warme lucht.

a)

juist

b)

onjuist

38.

Bij een faseovergang breken de moleculen op in kleinere stukken.

a)

juist

b)

onjuist

39.

Tussen de moleculen van een gas zit lucht

a)

juist

b)

onjuist

40.
een vloeistof heeft een vaste vorm
a)
niet waar
b)
soms
c)
waar
d)
weet niet
41.
een gas kun je samen persen
a)
nee nooit
b)
soms
c)
ja altijd
d)
ligt er aan welk gas
42.
een blokje ijzer heeft een vaste vorm
a)
ja want het is een vaste stof
b)
nee want het is een vaste stof
c)
ja want het is een vloeistof
d)
nee want het is een vloeistof
43.

"Kaarsvet wordt vloeibaar tijdens het branden van een kaars." Welke faseovergang is dit?

a)
stollen
b)
smelten
c)
verdampen
d)
bevriezen
44.
gassen kunnen......
a)
verdampen en smelten
b)
condenseren en smelten
c)

condenseren en desublimeren

d)

stollen en sublimeren

45.
vaste stoffen kunnen .......
a)

smelten en sublimeren

b)
smelten en stollen
c)
stollen en vervluchtigen
d)
vervluchtigen en rijpen
46.
vloeistoffen kunnen....
a)
verdampen en stollen
b)
verdampen en condenseren
c)
condenseren en vervluchtigen
d)
smelten en rijpen
47.

Wanneer stoffen worden verwarmd, zal er altijd een faseovergang zijn.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

48.

Als je water van 16°C verwarmt tot 88°C dan zal het wel uitzetten maar niet verdampen.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

49.

De massa van een stof verandert als de temperatuur verandert.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

50.

Wat gebeurt er met de massa van een stof bij een faseovergang?

a)

De massa zal hetzelfde blijven

b)

de massa zal groter worden

c)

de massa zal kleiner worden

51.

Bij een chemische omzetting...

a)

Worden er nieuwe atomen gemaakt

b)

worden er nieuwe moleculen gemaakt

c)

verandert enkel de afstand tussen de moleculen

52.

Het rotten van voedsel is een voorbeeld van...

a)

een faseovergang

b)

een atoom

c)

een chemische reactie

53.

Bij een faseovergang worden er nieuwe moleculen gemaakt

a)

waar

b)

niet waar