wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

schakelingen v3 nova par 1 en 2

Total questions: 24

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

De spanning over een weerstandje is 12V en de stroom erdoor is 0,2A. Wat is de waarde van dit weerstandje?

a)

2,4 Ω

b)

24 Ω

c)

6 Ω

d)

60 Ω

2.

Als je de weerstand in een stroomkring groter maakt, gaat er:

a)

Meer stroom lopen

b)

Minder stroom lopen

c)

Geen stroom meer lopen

d)

Er is geen verschil

3.

Bekijk de schuifweerstand uit de afbeelding. Als je de schuif naar links verschuift, dan

a)

Neemt de weerstand tussen terminal A en terminal B toe

b)

Neemt de weerstand tussen terminal A en terminal B af

c)

Gebeurt er niks, want je moet de aansluiting rechts onderin het plaatje gebruiken

4.

Een LDR geeft een lagere weerstand als

a)

er meer licht op valt

b)

minder licht op valt

c)

meer stroom door loopt

d)

de temperatuur stijgt

e)

de temperatuur daalt

5.

Een NTC...

a)

Geeft een hogere weerstand bij een hogere temperatuur

b)

Geeft een lagere weerstand bij een hogere temperatuur

c)

Geeft een hogere weerstand bij een hogere lichtsterkte

d)

Geeft een lagere weerstand bij een hogere lichtsterkte

6.

Je gebruikt een NTC om de temperatuur te meten. Je hebt een ampèremeter aangesloten op de NTC. Als er minder stroom loopt door de NTC dan

a)

Is de temperatuur gestegen

b)

Is de temperatuur gedaald

c)

Is de temperatuur gedaald of gestegen - dat kun je niet zeggen

7.

Bekijk het schakelschema in de afbeelding. Wat voor meters staan er in nummer 1 en nummer 2?

a)

1 is ampèremeter, 2 is voltmeter

b)

1 is voltmeter, 2 is ampèremeter

c)

het zijn beide voltmeters

d)

het zijn beide ampèremeters

8.

Door een apparaat gaat iedere minuut een lading van 3 C. Bereken de stroomsterkte.

a)

3 A

b)

20 A

c)

0,05 A

d)

180 A

9.

Wat betekent dit symbool?

a)

lampje

b)

led

c)

bel

d)

motor

10.

Wat is de netspanning in Nederland?

(a)  

11.

Voor een parallelschakeling geldt: De spanning is ____________ en de stoomsterkte is _______________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

12.

Voor een serieschakeling geldt: De spanning is ___________ en de stroomsterkte is_________________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

13.

Wat is geen eenheid van vermogen?

a)

watt

b)

kilowatt

c)

joule/seconde

d)

kilowattuur

14.

Een wasmachine werkt op een spanning van 230 volt. De stoomsterkte door de wasmachine is 8 A. Wat is het vermogen van de wasmachine?

a)

920 W

b)

1840 W

c)

28,75 W

d)

0,035 W

15.

Gelijke elektrische ladingen:

a)

Trekken elkaar aan

b)

Stoten elkaar af

c)

Hangt van de soort lading af

16.

Als de weerstand hoger wordt en de spanning blijft gelijk, dan....

a)

Wordt de stroom hoger

b)

Blijft de stroom gelijk

c)

Neemt de stroom af

17.

De weerstand van een LDR is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

18.

De weerstand van een NTC is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

19.

Op de meeste wandcontactdozen staat een spanning van ?

a)

12V

b)

16A

c)

220V

d)

230V

20.

Een korte dikke koperen kabel heeft een:

a)

Hoge weerstand

b)

Lage weerstand

c)

Slechte weerstand

d)

Goede weerstand

21.

In formules geven we de weerstand aan met de letter:

a)

R

b)

r

c)

V

d)

A

22.

Bereken de weerstand van het RECHTSE lampje.

(a)  

23.

In een serieschakeling is de ....... altijd overal gelijk.

a)

Weerstand

b)

Stroomsterkte

c)

Spanning

d)

Volt

24.

Welke 2 regels zijn juist voor een parallelschakeling? (paragraaf 5.3)

a)

Utotaal =U1 +U2 U_{totaal\ }=U_{1\ }+U_{2\ }

b)

Itotaal =I1 =I2I_{totaal\ }=I_{1\ }=I_2

c)

Itotaal = I1 + I2 I_{totaal\ }=\ I_{1\ }+\ I_{2\ }

d)

Utotaal =U1 =U2U_{totaal\ }=U_{1\ }=U_2