wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

AFP_Ademhaling en Circulatie

Total questions: 110

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Bij atriumfibrilleren trekken de ... niet goed samen

a)

kamers

b)

boezems

2.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
3.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
4.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
5.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
6.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
7.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
8.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
9.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
10.

Juist of onjuist?

Bij de ademhaling neem ik CO2 op en scheid ik O2 uit.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Welk orgaan is GEEN onderdeel van de bovenste luchtwegen?

a)

Mondholte

b)

Farynx

c)

Larynx

d)

Trachea

12.

Wat is de medische benaming voor nr 2

a)

Larynx

b)

Farynx

c)

Trachea

d)

Epiglottis

13.

Wat is de medische benaming voor nr 4

a)

Alveoli

b)

Bronchie

c)

Trachea

d)

Pulmones

14.

Wat is de medische benaming voor nr 3

a)

Alveoli

b)

Bronchie

c)

Trachea

d)

Pulmones

15.

Wat is de medische benaming voor nr 7

a)

Alveoli

b)

Larynx

c)

Trachea

d)

Farynx

16.

Juist of Onjuist?

De rechterlong is kleiner dan de linkerlong.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Wat zorgt ervoor dat de luchtpijp open blijft?

a)

De dikke spierlaag

b)

De vorm van de luchtpijp

c)

De kraakbeenringen

d)

De slijmlaag aan de binnenkant

18.

Bevochtigen, ruiken en filteren van de lucht zijn functies van de neusholte.

Welke functie heeft de neusholte nog meer?

(a)  

19.

Met wat wordt de luchtpijp afgesloten zodat je je niet verslikt?

a)

Strottenklepje

b)

Slijmvlies

c)

Huig

d)

Strottenhoofd

20.

Een man heeft vaak een lagere stem. Dit wordt bepaald door de vorm en lengte van de stembanden. Hoe zien deze eruit?

a)

Lang en dun

b)

Lang en dik

c)

Kort en dun

d)

Kort en dik

21.

Wat is de medische benaming voor het strottenklepje?

(a)  

22.

Welke functie heeft het trilhaarepitheel in de luchtwegen?

a)

Het bevochtigen van de luchtwegen

b)

Het wegvegen van gevangen stofdeeltjes etc.

c)

Hiermee kan je ruiken

d)

Het verwarmen van de lucht

23.

Onder gaswisseling verstaan we: ..

a)

Het opnemen van zuurstof en stikstof

b)

De uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide

c)

Het uitscheiden van koolstofmonoxide

d)

Het vervoeren van zuurstof

24.

Welk mechanisme zorgt ervoor dat zuurstof van een ruimte met een hoge concentratie (longblaasje) naar een ruimte met een lage concentratie (bloed) gaat?

a)

Infuus

b)

Infusie

c)

Diffusie

d)

Defundus

25.

Welke cellen doen aan fagocytose?

a)

Alleen granulocyten

b)

Alle leucocyten

c)

Granulocyten en Monocyten

d)

Granulocyten en Lymfocyten

26.

Hoe heet het ‘opvreten’ van ziekteverwekkers wat bepaalde leucocyten doen?

(a)  

27.

Welke bloedcellen vind ik het meeste in het bloed?

a)

Thrombocyten

b)

Lymfocyten

c)

Erytrocyten

d)

Granulocyten

28.

Wat is de medische benaming van rode bloedcellen?

(a)  

29.

Bij de inademing wordt de lucht gefilterd en worden o.a. stofdeeltjes, ziekteverwekkers en pollen 'gevangen'. Waar worden ze door gevangen?

a)

Neusharen

b)

Slijmvlies met snot

c)

Trilharen

d)

Allemaal

30.

Wat gebeurd er met de 'gevangen' stofdeeltjes?

a)

Worden door fagocyten opgegeten

b)

Worden door de trilharen naar buiten vervoerd

c)

Worden door de trilharen richting de keelholte vervoerd waarna je het doorslikt

d)

Blijven vast zitten in het snot

31.

Wat is de Medische term voor de Keelholte

(a)  

32.

Wat is de 'buis van Eustachius'?

a)

Verbinding tussen neus en keelholte

b)

Verbinding tussen neusholte en het middenoor

c)

Verbinding tussen de keelholte en maag

d)

Verbinding tussen de trachea en alveoli

33.

Welk gedeelte van je luchtwegen is ontstoken als je Bronchitis hebt?

a)

Longen

b)

Keel

c)

Luchtpijp

d)

Luchtpijpvertakkingen

34.

Bij mannen is de 'adamsappel' onderdeel van.. ?

a)

De larynx

b)

De schildklier

c)

Het epiglottis

d)

De trachea

35.

Wat sluit de larynx af op het moment dat je slikt?

a)

Stembanden

b)

Epiglottis

c)

Epiglottitis

d)

Huig

36.

Waar of niet waar?

Op het moment dat ik slik, klapt de huig omhoog en het strottenklepje naar beneden.

a)

Waar

b)

Niet waar

37.

Wat is er gebeurd als er voedsel of vocht in de luchtpijp terecht is gekomen?

a)

Trilharen hebben het voedsel de verkeerde kant op geveegd

b)

Dan heb ik mij verslikt, het strottenklepje sloot niet goed af

c)

Dan heb ik mij verslikt, de huig sloot niet goed af

d)

Door peristaltiek is het voedsel in de verkeerde buis terecht gekomen

38.

Wat is de medische term voor de luchtpijp?

(a)  

39.

Wat vind ik in de wand van de Trachea?

a)

Trilhaarepitheel

b)

Kraakbeenringen

c)

Glad spierweefsel

d)

Allemaal

40.

Welke weg legt de lucht af die ik inademen?

a)

Neusholte, Larynx, Farynx, Trachea, Bronchiën, Bronchioli, Alveoli

b)

Neusholte, Farynx, Larynx, Trachea, Bronchiën, Alveoli, Bronchioli

c)

Neusholte, Farynx, Larynx, Bronchiën, Trachea, Alveoli, Bronchioli

d)

Neusholte, Farynx, Larynx, Trachea, Bronchiën, Bronchioli, Alveoli

41.

Wanneer iemand zich verslikt, is de voedselbrok vaak in de rechter bronchus terug te vinden. Waarom vaker in de rechter bronchus dan de linker bronchus?

a)

De linkerbronchus is dunner waardoor voedsel er niet makkelijk in past

b)

Dat is niet waar. De kans dat de voedselbrok links terechtkomt is net zo groot.

c)

Re bronchus loopt meer rechtdoor waardoor dat de makkelijke route is

d)

Re bronchus is korter

42.

Wat is de medische term voor longblaasjes?

(a)  

43.

Waar of niet waar?

Uitgeademde lucht bevat geen zuurstof meer omdat dit in de longblaasjes is opgenomen in de bloedbaan?

a)

Waar

b)

Niet waar

44.

Wat zijn de pleura?

a)

De binnenbekleding van de longblaasjes

b)

De twee longvliezen

c)

De twee wanden van het hartzakje

d)

De wanden van de boezems en kamers

45.

Welk vlies is het binnenste vlies?

a)

Borstvlies

b)

Longvlies

46.

Wat zorgt ervoor dat jouw longen niet in elkaar schrompelen?

a)

Het longvlies zit aan het borstvlies vastgeplakt door een vacuüm, en het borstvlies zit vast aan je borstkas

b)

De wand van de longen is stevig waardoor de longen open blijven

c)

De ribben zorgen ervoor dat de longen niet in elkaar kunnen klappen

d)

Allemaal

47.

Wat gebeurd er bij een normale inademing?

a)

De tussenribspieren en hulpademhalings- spieren spannen aan zodat de borstkas groter wordt, en het diafragma gaat naar beneden

b)

De tussenribspieren trekken de ribben en het borstbeen omhoog, en de diafragma gaat naar beneden

c)

De tussenribspieren trekken de ribben en het borstbeen omhoog, en de diafragma gaat naar boven

d)

De tussenribspieren ontspannen zodat de ribben en het borstbeen naar beneden gaan, en de diafragma gaat naar boven

48.

Wat gebeurd er als je de hik hebt?

a)

Je stembanden trekken spastisch samen waardoor je een gek geluid krijgt

b)

De luchtpijp wordt spastisch dichtgeknepen waardoor er minder lucht langs je stembanden stroomt

c)

Het diafragma trekt spastisch samen waardoor het strottenklepje dicht klapt

d)

De alveoli trekken spastisch samen waardoor je er even geen luchtstroom is

49.

Waar of niet waar?

Wanneer je te veel CO2 in je bloed hebt, geeft het ademhalingscentrum in je hersenstam een signaal af om in te ademen.

a)

Waar

b)

Niet waar

50.

Waar of niet waar?

Bij een normale inademing gebruik ik mijn volledige longinhoud.

a)

Waar

b)

Niet waar

51.

Bij astma hebben patiënten last van bronchiale hyperreactiviteit.

Wat wordt hiermee bedoeld?

a)

De bronchiën reageren heel slecht op signalen van het ademhalingscentrum

b)

De bronchiën reageren té heftig op vaak onschuldige prikkels

c)

De bronchiën zijn kapot door ontstekingen waardoor ze vernauwd zijn

d)

De bronchiën zijn continue ontstoken waardoor ze te heftig reageren op medicatie

52.

Waar heeft iemand met Astma GEEN last van?

a)

Allergische aanleg

b)

Chronische ontsteking van de bronchiën

c)

Bronchiale hyperreactiviteit

d)

Longemfyseem

53.

Waar of niet waar?

Bij zowel astma als COPD bestaat de behandeling vaak uit luchtwegverwijders en ontstekingsremmende puffers.

a)

Waar

b)

Niet waar

54.

Wat is een verschil tussen astma en COPD?

a)

Stoppen met roken heeft alleen bij een COPD patiënt nut

b)

Bij COPD gaan de alveoli kapot door de ontstekingen

c)

Bij astma zijn de bronchiën ontstoken en bij COPD niet

d)

Alleen bij astma heb je periodes dat het slechter gaat

55.

Wat is de thorax?

a)

Hartzakje

b)

Borstkas

c)

Borstholte

d)

Buikholte

56.

Wat is de medische term voor de boezems?

(a)  

57.

Wat is de medische term voor de Kamers?

(a)  

58.

Wat wordt aangegeven met nr 4?

a)

Aorta

b)

Longslagader

c)

Longader

d)

Linker atrium

59.

Wat wordt aangegeven met nr 1?

a)

Aorta

b)

Vena cava superior

c)

Vena cava inferior

d)

Aortaboog

60.

Wat wordt aangegeven met nr 6?

a)

Tricuspidalisklep

b)

Pulmonalisklep

c)

Aortaklep

d)

Mitralisklep

61.

Wat wordt aangegeven met nr 9?

a)

Tricuspidalisklep

b)

Pulmonalisklep

c)

Aortaklep

d)

Mitralisklep

62.

Wat wordt aangegeven met nr 7?

a)

Re atrium

b)

Li atrium

c)

Re ventrikel

d)

Li ventrikel

63.

Wat is de juiste volgorde?

a)
b)
c)
d)
64.

Welke fout is hier getekend?

a)

Rechts en links is omgedraaid

b)

Boezems en kamers zijn omgedraaid

c)

Er mist een poortader

d)

Vena cava inferior en superior is omgedraaid

65.

Wat is de nederlandse term voor de Vena cava superior?

(a)  

66.

Wat is de medische term voor de onderste holle ader?

(a)  

67.

Waar start de prikkel die het hart doet kloppen, welke ook wel de natuurlijke pacemaker genoemd wordt?

a)

Bundel van HIS

b)

QRS complex

c)

AV knoop

d)

Sinusknoop

68.

Waar of niet waar?

Wanneer de ventrikels samentrekken, zijn de AV-kleppen gesloten en de arteriële kleppen geopend.

a)

Waar

b)

Niet waar

69.

Waar of niet waar?

De diastolische fase is de fase waarin het hart samentrekt.

a)

Waar

b)

Niet waar

70.

Met welk cijfer wordt het epicard aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

71.

Met welk cijfer wordt het myocard aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

72.

Wat is de juist weg...

van mijn rechter knie naar mijn linker oorlel

a)

re bovenbeenader, vena cava inferior, LA, LV, longslagader, longen, longader, RA, RV, Aorta, halsslagader, oorlel

b)

re bovenbeenader, vena cava inferior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, vena cava superior, halsslagader, oorlel

c)

re bovenbeenader, vena cava inferior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, halsslagader, oorlel

d)

re bovenbeenader, vena cava superior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, halsslagader, oorlel

73.

Wat is de juist weg...

van mijn linker handpalm naar mijn rechter elleboog

a)

li bovenarmader, vena cava inferior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, re bovenarmslagader, elleboog

b)

li bovenarmader, vena cava superior, RA, RV, longader, longen, longslagader, LA, LV, Aorta, re bovenarmslagader, elleboog

c)

li bovenarmader, vena cava superior, LA, LV, longslagader, longen, longader, RA, RV, Aorta, re bovenarmslagader, elleboog

d)

li bovenarmader, vena cava superior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, re bovenarmslagader, elleboog

74.

Wat is de juist weg...

van mijn dunne darm naar mijn linker bovenarm

a)

dunne darm, poortader, lever, leverader, vena cava inferior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, li bovenarmslagader

b)

dunne darmader, vena cava inferior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, li bovenarmslagader

c)

dunne darmader, vena cava inferior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, li bovenarmslagader

d)

dunne darm, poortader, lever, leverader, vena cava superior, RA, RV, longslagader, longen, longader, LA, LV, Aorta, li bovenarmslagader

75.

Wat is de medische term voor hoge bloeddruk?

(a)  

76.

Welke vaten...

vervoeren zuurstofarm bloed

a)

Arteriën

b)

Vena

c)

Capillairen

77.

Welke vaten...

vind de uitwisseling van stoffen en gassen plaats

a)

Arteriën

b)

Vena

c)

Capillairen

78.

Welke vaten...

hebben kleppen

a)

Arteriën

b)

Vena

c)

Capillairen

79.

Welke vaten...

hebben een dikke elastische wand

a)

Arteriën

b)

Vena

c)

Capillairen

80.

Welke vaten...

pulseren

a)

Arteriën

b)

Vena

c)

Capillairen

81.

Door de beweging van omliggende spieren wordt bloed in de vena van de ledematen terug gestuwd richting het hart.

Welk mechanisme is hier beschreven?

a)

Adempomp

b)

Functie kleppen

c)

Spierpomp

d)

Zwaartekracht

82.

Antigenen die bepalen welke bloedgroep je hebt, kun je vinden op welke cellen?

a)

Leucocyten

b)

Erytrocyten

c)

Alle bloedcellen

d)

Alle lichaamscellen

83.

Wat is de medische benaming van witte bloedcellen?

(a)  

84.

Wat is de medische term voor bloedplaatjes?

(a)  

85.

Waar of niet waar?

In het bloed vindt ik meer rode bloedcellen dan bloedplasma.

a)

Waar

b)

Niet waar

86.

Waar of niet waar?

Thom heeft bloedgroep AB-.

Bij een bloeddonatie kan hij alleen AB+, AB- ontvangen.

a)

Waar

b)

Niet waar

87.

Bloedserum is...

a)

Hetzelfde als bloedplasma

b)

Bloedplasma zonder bloedcellen

c)

Bloedplasma zonder stollingseiwitten

d)

Bloedplasma zonder voedingsstoffen

88.

Waar of niet waar?

Linda heeft bloedgroep A+. Zij kan alleen A+ en O+ bloed ontvangen.

a)

Waar

b)

Niet waar

89.

Waar of niet waar?

Rogier heeft bloedgroep A-. Hij kan alleen A- en O- bloed ontvangen.

a)

Waar

b)

Niet waar

90.

Welke cellen zijn verantwoordelijk voor....

de afweer

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

91.

Welke cellen zijn verantwoordelijk voor....

de bloedstolling

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

92.

Welke cellen zijn verantwoordelijk voor....

de specifieke afweer

a)

Fagocyten

b)

Leucocyten

c)

Lymfocyten

93.

Welke cellen zijn verantwoordelijk voor....

het opvreten van dode cellen

a)

Fagocyten

b)

Leucocyten

c)

Lymfocyten

94.

Welke cellen zijn verantwoordelijk voor....

zuurstoftransport

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

95.

Welke cellen hebben de volgende eigenschap....

leven 120 dagen

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

96.

Welke cellen hebben de volgende eigenschap....

hebben celkern

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

97.

Welke cellen hebben de volgende eigenschap....

kunnen zich buiten de bloedbaan verplaatsen

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

98.

Welke cellen hebben de volgende eigenschap....

zijn heel mooi rond

a)

Erytrocyten

b)

Leucocyten

c)

Trombocyten

99.

Welk mineraal is nodig bij de aanmaak van rode bloedcellen?

a)

IJzer en vit B12

b)

IJzer

c)

Bilirubine

d)

Zuurstof

100.

Welke bewering over weefselvocht is juist?

a)

Weefselvocht bevat naast voedingsstoffen ook plasma eiwitten

b)

Weefselvocht die in het weefsel achterblijft wordt opgenomen in de lymfevaten

c)

Weefselvocht is bloedplasma maar dan buiten een bloedvat

d)

Weefselvocht kan ook door kleine arteriën heen

101.

Waar of niet waar?

Aan het begin van de capillairen is de bloeddruk hoger dan de zuigkracht van de plasma-eiwitten waardoor vocht en voedingsstoffen etc. de capillairen uit gestuwd worden.

a)

Waar

b)

Niet waar

102.

Waar of niet waar?

Het lymfevocht wordt uiteindelijk terug gebracht naar de onderste holle ader.

a)

Waar

b)

Niet waar

103.

Welke functies heeft het lymfestelsel? (meerdere antwoorden)

a)

Ondersteuning circulatie door terug brengen weefselvocht

b)

Afweer tegen ziekteverwekkers

c)

Het vervoeren van lymfe naar de armen en benen

d)

Het afgeven van hormonen

104.

Welke cellen vindt je heel veel in het lymfestelsel

a)

Lymfocyten

b)

Trombocyten

c)

Plaveiselepitheel

d)

Granulocyten

105.

Welke onderdelen vindt je in het lymfestelsel? (meerdere antwoorden)

a)

Thymus

b)

Lymfeknopen

c)

Keelamandelen

d)

Lymfocyten

106.

Welk orgaan is belangrijk bij het onderscheiden van lichaamseigen en lichaamsvreemde stoffen?

a)

Lever

b)

Milt

c)

Thymus

d)

Kleine hersenen

107.

Wat valt er NIET onder een gezonde leefstijl?

a)

Voldoende slaap

b)

Gezond gewicht

c)

Goed betaalde baan

d)

Gezonde en gevarieerde voeding

108.

Met welke methode kan je berekenen of iemand een gezond gewicht heeft?

a)

Vetpercentage

b)

BMI

c)

Gewicht in KG

d)

Buikomvang

109.

Wat is een gezond BMI?

a)

17.8

b)

23.5

c)

26.1

d)

34.3

110.

Wat bedoelen we wanneer we zeggen dat iemand psychosomatische klachten heeft?

a)

Het is dan niet duidelijk of de klachten lichamelijk of geestelijk zijn

b)

Iemand heeft een psychische aandoening waar hij ziek van wordt

c)

Iemand heeft lichamelijke klachten veroorzaakt door een psychische factor

d)

Het is niet duidelijk welke klachten er het eerst waren