wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Exam words part 2

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

furthermore

a)

hoewel

b)

bovendien/verder

c)

en dus

d)

ook

2.

besides

a)

daarnaast

b)

hoewel

c)

in tegenstelling

d)

maar

3.

also

a)

dus

b)

en

c)

ook

d)

maar

4.

moreover

a)

bovendien

b)

toch

c)

verder

d)

vervolgens

5.

as

a)

en

b)

sinds

c)

maar

d)

toch

6.

because

a)

vervolgens

b)

maar

c)

dus

d)

omdat

7.

due to

a)

ondanks

b)

toch

c)

want

d)

vanwege

8.

however

a)

tenslotte

b)

daardoor

c)

dus

d)

echter

9.

instead

a)

voorkomen

b)

vermijden

c)

in plaats van

d)

overslaan

10.

nevertheless

a)

nooit

b)

niet

c)

toch

d)

zonder

11.

unless

a)

zonder

b)

tenzij

c)

want

d)

maar

12.

except

a)

behalve

b)

ondanks

c)

tenzij

d)

kortom

13.

after all

a)

echter

b)

met als gevolg

c)

toch

d)

ten slotte

14.

hence

a)

vervolgens

b)

daarom

c)

echter

d)

zo

15.

provided

a)

desalniettemin

b)

echter

c)

tenslotte

d)

op voorwaarde dat

16.

consequently

a)

met als gevolg

b)

in tegenstelling

c)

op voorwaarde dat

d)

ondanks dat

17.

in short

a)

maar

b)

zo

c)

kortom

d)

tenslotte

18.

thus

a)

zo

b)

maar

c)

en

d)

of

19.

meanwhile

a)

gisteren

b)

vervolgens

c)

ondertussen

d)

totdat

20.

As well as

a)

evenals

b)

tegelijk

c)

zodra

d)

goed

21.

for instance

a)

tegen in gaan

b)

voorkomen

c)

bijvoorbeeld

d)

een moment

22.

likewise

a)

wijzen

b)

net zoals

c)

anders

d)

totdat

23.

before

a)

erop

b)

voor

c)

tijdens

d)

eenmalig

24.

similarly

a)

opvallend

b)

op dezelfde manier

c)

anders

d)

verwachten

25.

nowadays

a)

in het verleden

b)

in de toekomst

c)

nu en altijd

d)

vandaag de dag

26.

once upon a time

a)

in de toekomst

b)

vandaag de dag

c)

er was eens

d)

in het verleden

27.

according to

a)

tijdens

b)

volgens

c)

doordat

d)

ondertussen

28.

at least

a)

tenminste

b)

klein beetje

c)

onderaan

d)

zodra

29.

In addition

a)

en dus

b)

omdat

c)

maar

d)

en daarbij

30.

obviously

a)

blijkbaar

b)

terwijl

c)

totdat

d)

ook

31.

abandon

a)

achterna gaan

b)

verlaten

c)

afronden

d)

vervormen

32.

able

a)

aandacht krijgen

b)

arriveren

c)

antwoorden

d)

in staat

33.

to abolish

a)

afschaffen

b)

verdringen

c)

verdwalen

d)

afmaken

34.

behaviour

a)

sfeer

b)

stemming

c)

gedrag

d)

gedragen

35.

bargain

a)

koopje

b)

korting

c)

betalen

d)

vondst

36.

to confess

a)

kennismaken

b)

bekennen

c)

overtuigen

d)

overstemmen

37.

describe

a)

boodschap

b)

onderschrijven

c)

beschrijven

d)

overtuigen

38.

commitment

a)

verbintenis

b)

contract

c)

gesprek

d)

parnterschap

39.

develop

a)

onderzoeken

b)

experimenteren

c)

ontwikkelen

d)

verkennen

40.

environment

a)

heelal

b)

gebied

c)

openbare ruimte

d)

milieu