wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

QuizTijd - SLO

Total questions: 112

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het symbool voor de grootheid van kracht?

(a)  

2.

Wat is de naam van de eenheid van kracht?

(a)  

3.

Wat is het symbool van de eenheid van kracht?

(a)  

4.

Wat is het symbool voor de grootheid van afstand?

(a)  

5.

Wat is het symbool voor de eenheid van afstand?

(a)  

6.

Wat is het symbool voor de grootheid van dichtheid?

(a)  

7.

Wat is het symbool voor de eenheid van dichtheid?

(a)  

8.

Wat is het symbool voor de grootheid van volume?

(a)  

9.

Wat is het symbool voor de eenheid van volume?

(a)  

10.

Wat is het symbool voor de grootheid van massa?

(a)  

11.

Wat is het symbool voor de eenheid van massa?

(a)  

12.

Wat is het symbool voor de grootheid van snelheid?

(a)  

13.

Wat is het symbool voor de eenheid van snelheid?

(a)  

14.

Welke berekening moet je maken?


112 minuten = ... uur

a)

x 60

b)

: 60

c)

x 60 x 60

d)

: 60 : 60

15.

Welke berekening moet je maken?


112 minuten = ... uur

a)

x 60

b)

: 60

c)

x 60 x 60

d)

: 60 : 60

16.

Welke berekening moet je maken?


15 jaar = ... uur

a)

x 365 x 24

b)

: 365 : 24

c)

x 12 x 30 x 24

d)

: 12 : 30 : 24

17.

Welke berekening moet je maken?


244 dagen = ... jaar

a)

x 365

b)

: 365

c)

: 244 x 365

d)

x 244 : 365

18.

Welke berekening moet je maken?


6,5 dagen = ... minuten

a)

x 24 x 60

b)

: 24 : 60

c)

: 60 : 60

d)

x 60 x 60

19.

Hoe ontstaat dag en nacht?

a)

Omdat de aarde om haar eigen as heen draait.

b)

Omdat de zon om de aarde draait.

c)

Omdat de aarde om de zon heen draait.

d)

Omdat de zon om de as van de aarde draait.

20.

Wat bepaal je met een zonnewijzer?

a)

schaduw

b)

tijd

c)

datum

d)

zonnekracht

21.

Hoe lees je de tijd af bij een zonnewijzer?

a)

door te kijken naar de schaduw

b)

door te kijken naar het licht

22.

Het pijltje van de zonnewijzer moet gericht worden naar het ...

a)

noorden

b)

oosten

c)

zuiden

d)

westen

23.

Bij een hoge zonnestand heb je een ... schaduw.

a)

lange

b)

korte

24.

Bij een lage zonnestand heb je een ... schaduw.

a)

lange

b)

korte

25.

Hoe lang duurt een etmaal?

a)

12 uur

b)

24 uur

c)

7 dagen

d)

28 dagen

26.

Wat betekent AM?

a)

after midnight

b)

at morning

c)

Amsterdam

d)

America

27.

Wat betekent PM?

a)

pro midnight

b)

passeer middag

c)

pre midnight

d)

pro morning

28.

Hoe schrijf je de volgende tijd in Nederland?


10:00 PM

a)

10:00

b)

22:00

c)

20:00

d)

23:00

29.

Hoe schrijf je de volgende tijd in Nederland?


11:30 AM

a)

11:30

b)

23:30

c)

22:30

d)

24:30

30.

Hoe komt het dat de tijden op aarde verschillen?

a)

De zon komt niet overal op dezelfde tijd op, omdat de aarde om haar eigen as heen draait.

b)

De zon komt overal op dezelfde tijd op, omdat de aarde om haar eigen as heen draait.

c)

De zon komt niet overal op dezelfde tijd op, omdat de zon om de aarde heen draait.

d)

De zon komt niet overal op dezelfde tijd op, omdat de aarde om de zon heen draait.

31.

Om de snelheid, afstand of tijd te kunnen berekenen heb je de formuledriehoek nodig.


Welk symbool past op plek 1?

a)

v

b)

s

c)

t

32.

Om de snelheid, afstand of tijd te kunnen berekenen heb je de formuledriehoek nodig.


Welk symbool past op plek 2?

a)

v

b)

s

c)

t

33.

Om de snelheid, afstand of tijd te kunnen berekenen heb je de formuledriehoek nodig.


Welk symbool past op plek 3?

a)

v

b)

s

c)

t

34.

Als je de tijd wil berekenen, maak je de volgende formule:

a)

s : v

b)

v : s

c)

v x t

d)

s : t

e)

t : s

35.

Als je de afstand wil berekenen, maak je de volgende formule:

a)

s : v

b)

v : s

c)

v x t

d)

s : t

e)

t : s

36.

Als je de snelheid wil berekenen, maak je de volgende formule:

a)

s : v

b)

v : s

c)

v x t

d)

s : t

e)

t : s

37.

Klik de 3 factoren aan die de remweg langer/korter maken die je tijdens de les geleerd hebt.

a)

Kwaliteit van de banden en remmen

b)

Kwaliteit van de ondergrond

c)

Luchtkwaliteit

d)

De beginsnelheid

e)

De stopsnelheid

38.

De stopafstand wordt ... als je alcohol gedronken hebt.

a)

langer

b)

korter

39.

De stopafstand wordt ... als je goed geslapen hebt.

a)

langer

b)

korter

40.

De stopafstand wordt ... als je aan je telefoon zit.

a)

langer

b)

korter

41.

Kies de juiste formule voor het berekenen van de stopafstand.

a)

stopafstand = remafstand + reactieafstand

b)

stopafstand = remafstand + reactietijd

c)

stopafstand = remtijd + reactieafstand

d)

stopafstand = remtijd + reactietijd

42.

Je reactiesnelheid kun je trainen.

a)

juist

b)

onjuist

43.

Hoe wordt de afstand genoemd die je nog aflegt als je remt?

(a)  

44.

Van welke factoren is de remafstand afhankelijk?

a)

kwaliteit van de banden

b)

kwaliteit van de remmen

c)

kwaliteit van de ondergrond

d)

beginsnelheid

e)

kwaliteit van de beginsnelheid

45.

Is de volgende bewering juist of onjuist?


Hoe hoger de snelheid, hoe langer de remweg.

a)

juist

b)

onjuist

46.

Hoe noem je de tijd tussen dat je iets ziet en dat je werkelijk gaat remmen?

(a)  

47.

Hoe noem je de afstand die je verder rijdt voordat je werkelijk gaat remmen?

(a)  

48.

De reactietijd is gemiddeld ... seconde(n).

(a)  

49.

Hoe noem je de afstand die je aflegt tussen het moment dat je iets ziet gebeuren en je echt stilstaat?

(a)  

50.

Hoe wordt de stopafstand berekend?

a)

reactieafstand + remafstand

b)

reactieafstand - remafstand

c)

reactietijd + remtijd

d)

reactijd - remtijd

51.

Wat zijn fossielen?

a)

Verkoolde resten van organismen.

b)

Afdrukken van organismen.

c)

Versteende resten van organismen.

d)

Uitwerpselen van organismen.

52.

Onder welke omstandigheden fossiliseren organismen?

a)

Als er geen zuurstof aanwezig is.

b)

Als er veel zuurstof aanwezig is.

c)

Als er veel warmte aanwezig is

d)

Als er geen warmte aanwezig is.

53.

Wat geeft de juiste omschrijving van oersoep weer?

a)

een mengsel van stoffen in de oceaan van de aarde.

b)

een benaming voor de oudste dieren die op aarde hebben geleefd.

c)

Soep, die vroeger inde oertijd werd gegeten bestond uit veel energierijke stoffen.

d)

Darwin is hiermee bekend geworden.

54.

Hoe heet het proces waarbij de best aangepaste organismen overleven en nakomelingen krijgen?

(a)  

55.

Evolutie is een doorlopend proces, waarbij soorten ...

a)

uitsterven

b)

ontstaan

c)

veranderen

d)

fossiliseren

56.

Waar is Charles Darwin bekend van geworden?

a)

evolutietheorie

b)

fossielvonst

c)

zijn rondreis op de 'Beagle'

d)

dat de aarde rond was en niet plat

57.

Hoe wordt een indeling gebaseerd op kenmerken genoemd?

(a)  

58.

Wat is de belangrijkste reden dat mensen heel veel dingen ordenen?

a)

Je kunt dan iets makkelijk terugvinden.

b)

Het ziet er mooier uit om alles te ordenen.

c)

Dat is gewoon een afspraak die we hebben gemaakt.

d)

Je leert veel van ordenen door te kijken naar de kenmerken.

59.

Wat is de belangrijkste reden dat mensen heel veel dingen ordenen?

a)

Je kunt dan iets makkelijk terugvinden.

b)

Het ziet er mooier uit om alles te ordenen.

c)

Dat is gewoon een afspraak die we hebben gemaakt.

d)

Je leert veel van ordenen door te kijken naar de kenmerken.

60.

Hoe wordt een indeling gebaseerd op kenmerken genoemd?

(a)  

61.

In welke rijken is het leven op aarde geordend?

a)

bacterieën

b)

schimmels

c)

planten

d)

dieren

e)

mensen

62.

Bij ordenen van organismen verdeel je een verzameling organismen in groepen met hetzelfde ...

a)

rijk

b)

kenmerk

c)

eencellig

d)

hoofdgroep

63.

Welke celkenmerken hebben bacteriën?

a)

celkern

b)

celwand

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

64.

Welke celkenmerken hebben schimmels?

a)

celkern

b)

celwand

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

65.

Welke celkenmerken hebben planten?

a)

celkern

b)

celwand

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

66.

Welke celkenmerken hebben dieren?

a)

celkern

b)

celwand

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

67.

Van een organisme bekijken we een cel onder de microscoop. Waar delen we het organisme in?

a)

Bij de bacteriën

b)

Bij de schimmels

c)

Bij de dieren

d)

Bij de planten

68.

Van een organisme bekijken we een cel onder de microscoop. Waar delen we het organisme in?

a)

Bij de bacteriën

b)

Bij de schimmels

c)

Bij de dieren

d)

Bij de planten

69.

Van een organisme bekijken we een cel onder de microscoop. Waar delen we het organisme in?

a)

Bij de bacteriën

b)

Bij de schimmels

c)

Bij de dieren

d)

Bij de planten

70.

Van een organisme bekijken we een cel onder de microscoop. Waar delen we het organisme in?

a)

Bij de bacteriën

b)

Bij de schimmels

c)

Bij de dieren

d)

Bij de planten

71.

In welke groepen wordt het rijk van de planten geordend?

a)

wieren

b)

vaatplanten

c)

sporenplanten

d)

zaadplanten

72.

In welke groepen wordt het rijk van de planten geordend?

a)

wieren

b)

vaatplanten

c)

sporenplanten

d)

zaadplanten

73.

Naar welken kenmerken van een plant wordt er gekeken als ze in de twee groepen: wieren of vaatplanten worden ingedeeld?

a)

aanwezigheid wortels

b)

aanwezigheid stengels

c)

aanwezigheid bladeren

d)

aanwezigheid bloemen

e)

aanwezigheid zaden

74.

Welke kenmerken kunnen wieren hebben?

a)

wortels

b)

stengels

c)

bladeren

d)

bloemen

e)

geen van bovengenoemde kenmerken

75.

Welke kenmerken kunnen vaatplanten hebben?

a)

wortels

b)

stengels

c)

bladeren

d)

bloemen

e)

geen van bovengenoemde kenmerken

76.

In welke groepen kun je de vaatplanten indelen?

a)

sporenplanten

b)

zaadplanten

c)

bedektzadigen

d)

naaktzadigen

77.

Welke kenmerken hebben sporenplanten?

a)

wortels

b)

stengels

c)

bladeren

d)

bloemen

e)

geen van bovengenoemde kenmerken

78.

Welke kenmerken hebben zaadplanten?

a)

wortels

b)

stengels

c)

bladeren

d)

bloemen

e)

geen van bovengenoemde kenmerken

79.

Een voorbeeld van een sporenplant is ...

a)

Eikenboom

b)

Korenbloem

c)

Paardenstaart

d)

Algen

80.

Een voorbeeld van een wier is ...

a)

Eikenboom

b)

Korenbloem

c)

Paardenstaart

d)

Algen

81.

Een voorbeeld van een zaadplant is ...

a)

Eikenboom

b)

Varen

c)

Paardenstaart

d)

Algen

82.

Uit welke groepen bestaan de sporenplanten?

a)

Varens en mossen

b)

Wolfsklauwen

c)

Paardenstaarten

d)

Naaktzadigen

e)

Bedektzadigen

83.

Uit welke groepen bestaan de zaadplanten?

a)

Varens en mossen

b)

Wolfsklauwen

c)

Paardenstaarten

d)

Naaktzadigen

e)

Bedektzadigen

84.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

sponzen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

85.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

sponzen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

86.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

sponzen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

87.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

sponzen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

88.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

sponzen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

89.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

geleedpotigen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

90.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

geleedpotigen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

91.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

geleedpotigen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

92.

Welke stam wordt hier afgebeeld?

a)

geleedpotigen

b)

weekdieren

c)

neteldieren

d)

gewervelden

e)

stekelhuidigen

93.

Wat voor skelet heeft de heremietkreeft?

a)

inwendig

b)

uitwendig

94.

Tot welke stam behoort een heremietkreeft?

a)

stekelhuidigen

b)

gewervelden

c)

geleedpotigen

d)

weekdieren

e)

neteldieren

95.

De heremietkreeft leeft in het lege skelet (huisje, schelp) van een ander dier. Uit welke stam is dit dier afkomstig?

a)

stekelhuidigen

b)

gewervelden

c)

geleedpotigen

d)

weekdieren

e)

neteldieren

96.

De heremietkreeft leeft in het lege skelet (huisje, schelp) van een ander dier. Uit welke stam is dit dier afkomstig?

a)

stekelhuidigen

b)

gewervelden

c)

geleedpotigen

d)

weekdieren

e)

neteldieren

97.

Naaktslakken hebben geen slakkenhuis.


Hebben naaktslakken een skelet?

a)

ja, inwendig

b)

ja, uitwendig

c)

nee

98.

Spongebob is een dier dat behoort tot de stam sponsdieren. Hij leeft op de bodem van de zee in het stadje Bikinibroek.


Welke uitspraken over spongebob en echte spondieren zijn juist?

a)

Spongebob is tweezijdig symmetrisch, een echt sponsdier is veelzijdig symmetrisch.

b)

Spongebob is tweezijdig symmetrisch, een echt sponsdier is niet symmetrisch.

c)

Spongebob zit niet vast op de bodem van de zee, echte sponsdieren wel.

d)

Spongebob zit vast op de bodem van de zee, net als echte sponsdieren.

99.

Sandy is een dier dat behoort tot de stam gewervelden. Ze leeft op de bodem van de zee in het stadje Bikinibroek. Ze woont in een onderzeese koepel van plexiglas en draagt buiten haar woning een duikerspak om niet te verdrinken.


Welke uitspraken over Sandy zijn juist?

a)

Sandy is tweezijdig symmetrisch, want je kunt haar in twee ongeveer gelijke helften verdelen.

b)

Sandy is niet symmetrisch, want ze heeft aan de ene kant een bloem op haar pak en aan de andere kant niet.

c)

Sandy heeft een inwendig skelet.

d)

Sandy heeft een uitwendig skelet.

100.

In bikinibroek zwemmen regelmatig kwallen voorbij. Kwallen behoren tot de stam neteldieren. 

Welke uitspraken over kwallen zijn juist?

a)

Kwallen zitten vast op de bodem van de zee.

b)

Kwallen hebben meestal geen skelet.

c)

Kwallen zijn veelzijdig symmetrisch.

d)

Kwallen zijn tweezijdig symmetrisch.

e)

Kwallen gebruiken hun tentakels alleen maar om mee te zwemmen.

101.

Gerrit is de huisslak van SpongeBob. Hij heeft het uiterlijk van een huisslak en gedraagt zich als een kat. Hoewel hij alleen maar miauwt, komt hij dikwijls een stuk intelligenter over dan SpongeBob. Gerrit heeft een goede band met zijn baasje en SpongeBob ziet hem dan ook als zijn vertrouwenspersoon. 

Welke uitspraken over Gerrit zijn juist?

a)

Gerrit is een kat, daarom behoort hij tot de stam gewervelden.

b)

Gerrit heeft een uitwendig skelet.

c)

Gerrit is veelzijdig symmetrisch.

d)

Gerrit is tweezijdig symmetrisch.

102.

Octo is een Octopus en woont tussen SpongeBob en Patrick in een huis dat de vorm van een moai heeft. Over het algemeen is Octo chagrijnig, saai en onaardig. Octo behoort net als de huisslak Gerrit tot de stam weekdieren.

Welke uitspraken over weekdieren zijn juist?

a)

Weekdieren zijn veelzijdig symmetrisch.

b)

Weekdieren hebben meestal een inwendig skelet.

c)

Weekdieren hebben meestal een uitwendig skelet.

d)

Weekdieren hebben meestal geen skelet.

e)

Weekdieren zijn tweezijdig symmetrisch.

103.

Patrick is een zeester die sinds jongs af aan beste vrienden is met SpongeBob. Patricks voornaamste bezigheden zijn slapen, eten, televisie kijken en omgaan met SpongeBob. Patrick behoort tot de stam stekelhuidigen.

Welke uitspraken over Patrick en stekelhuidigen zijn juist?

a)

Patrick heeft een inwendig skelet van kalk.

b)

Patrick heeft een uitwendig skelet (pantser). 

c)

Patrick is tweezijdig symmetrisch.

d)

Patrick is veelzijdig symmetrisch.

e)

De huid van stekelhuidigen is vaak bedekt met stekels of knobbels.

104.

Meneer Krabs is een rode krab. Hij woont in een groot anker en is de eigenaar en oprichter van De Krokante Krab. Meneer Krabs is een erg gierig dier en heeft er dan ook de grootste moeite mee zijn personeel te betalen. 

Welke uitspraken over Meneer Krabs zijn juist?

a)

Meneer Krabs heeft een inwendig skelet.

b)

Meneer Krabs heeft een uitwendig skelet (pantser). 

c)

Meneer Krabs is tweezijdig symmetrisch.

d)

Meneer Kras is niet symmetrisch.

e)

De huid van geleedpotigen is vaak bedekt met stekels of knobbels.

105.

Over een diersoort is het volgende bekend:


Het dier is tweezijdig symmetrisch en heeft een uitwendig skelet (pantser).


Uit welke stam van het dierenrijk komt dit dier?

a)

Geleedpotigen

b)

Neteldieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

106.

Over een diersoort is het volgende bekend:


Het dier is tweezijdig symmetrisch en heeft een uitwendig skelet (pantser).


Uit welke stam van het dierenrijk komt dit dier?

a)

Geleedpotigen

b)

Neteldieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

107.

Over een diersoort is het volgende bekend:


Het dier is tweezijdig symmetrisch en heeft een inwendig skelet.


Uit welke stam van het dierenrijk komt dit dier?

a)

Geleedpotigen

b)

Neteldieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

108.

Over een diersoort is het volgende bekend:


Het dier leeft in de zee, vangt prooien met tentakels, is veelzijdig symmetrisch en heeft meestal geen skelet.


Uit welke stam van het dierenrijk komt dit dier?

a)

Sponsdieren

b)

Neteldieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

109.

Over een diersoort is het volgende bekend:


Het dier is tweezijdig symmetrisch en heeft een uitwendig skelet (meestal een huisje of schelp).


Uit welke stam van het dierenrijk komt dit dier?

a)

Sponsdieren

b)

Neteldieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

110.

Over een diersoort is het volgende bekend:


Het dier leeft op de bodem van de zee, is veelzijdig symmetrisch, heeft een inwendig skelet van kalk en de huid is bedekt met stekels of knobbels.


Uit welke stam van het dierenrijk komt dit dier?

a)

Sponsdieren

b)

Neteldieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

111.

Over een diersoort is het volgende bekend:


Het dier zit meestal vast op de bodem van de zee, is niet symmetrisch en heeft een inwendig skelet van stevige hoornvezels tussen de cellen.


Uit welke stam van het dierenrijk komt dit dier?

a)

Sponsdieren

b)

Neteldieren

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

112.

Uit welke groepen bestaan de gewervelden?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

zoogdieren

e)

vogels