wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H6 2vwo Nederland: klimaat en duurzaamheid

Total questions: 57

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Fossiele brandstoffen zijn energiebronnen/brandstoffen die niet vervuilen en nooit opraken.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Waarvoor gebruiken we fossiele brandstoffen?

a)

Om een auto te laten rijden.

b)

Om ons huis te verwarmen.

c)

Om elektriciteit op te wekken.

3.

Welke stof zorgt ervoor dat de temperatuur op aarde toeneemt?

a)

CO2

b)

Aardgas

c)

Stikstof

d)

Zuurstof

4.

Op welke manieren kun je de uitstoot van CO2 omlaag brengen?

a)

Door energie te besparen.

b)

Door duurzame/hernieuwbare energiebronnen te gebruiken.

c)

Door fossiele brandstoffen te gebruiken.

5.

Wat valt onder de energiebesparing?

a)

De verwarming lager zetten.

b)

Zonne-energie gebruiken.

c)

Door te isoleren.

d)

Windenergie gebruiken.

e)

Energiezuinige apparaten te gebruiken.

6.

Duurzame energie die wordt opgewekt met de straling van de zon.

a)

zonne-energie

b)

windenergie

c)

geothermische energie

d)

hydro-elektriciteit

e)

biomassa

7.

Welke duurzame energiebron zie je op de foto?

a)

windenergie

b)

zonne-energie

c)

hydro-elektriciteit

d)

geothermische energie

e)

biomassa

8.

Welke duurzame energiebron zie je op de foto?

a)

geothermische energie

b)

biomassa

c)

hydro-elektriciteit

d)

windenergie

e)

zonne-energie

9.

Resten van planten zoals plantaardige olie, hout, groente- en tuinafval waarmee energie wordt opgewekt.

a)

Geothermische energie

b)

Biomassa

c)

Windenergie

d)

Zonne-energie

e)

Hydro-elektriciteit

10.

Duurzame energie waarbij elektriciteit wordt opgewekt door waterkracht.

a)

Geothermische energie

b)

Biomassa

c)

Windenergie

d)

Zonne-energie

e)

Hydro-elektriciteit

11.

Het broeikaseffect waar de natuur zelf voor zorgt met een gemiddelde temperatuur van 18 graden Celsius.

a)

natuurlijk broeikaseffect

b)

versterkt broeikaseffect

12.

Welke duurzame energiebron wekt in Nederland nu nog de meeste energie op?

a)

zonne-energie

b)

windenergie

c)

biomassa

d)

hydro-elektriciteit

e)

geothermische energie

13.

Welke fossiele brandstof wekt in Nederland de meeste energie op?

a)

Steenkool

b)

Aardgas

c)

Aardolie

14.

Het gemiddelde luchttoestand in een bepaald gebied over 30 of 40 jaar.

a)

Weer

b)

Klimaat

15.

Het aantal zomerse dagen neemt ...

a)

toe.

b)

af.

16.

De afgelopen 70 jaar is het steeds ... geworden in Nederland.

a)

kouder

b)

warmer

17.

In de periode 1950-1980 viel er jaarlijks gemiddeld 775 mm regen. In de periode 1980-2010 was dat ...

a)

776.5

b)

790

c)

850

18.

Gisteren hadden we zo'n hevige, zware bui. Gelukkig schijnt vandaag de zon weer.

a)

Weer

b)

Klimaat

19.

Januari is in Nederland de koudste maand: de gemiddelde temperatuur is dan 3 graden Celsius.

a)

Weer

b)

Klimaat

20.

Welke 2 zinnen beschrijven het beste hoe het klimaat in Nederland de afgelopen 50 jaar is veranderd?

a)

Het wordt steeds natter en de kans op extreme buien neemt toe.

b)

Het wordt steeds droger en de kans op extreme buien neemt af.

c)

De winters worden steeds zachter en de zomers steeds warmer.

d)

De winters worden steeds kouder en de zomers steeds warmer.

21.

Wat zie je in het figuur?

a)

De schommeling tussen de seizoenen qua temperatuur?

b)

De schommelingen tussen de seizoenen qua CO2

22.

Veranderingen in het klimaat is heel normaal.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Een ander woord voor ijstijd is ..1.. en een ander woord voor de warme perioden is ..2..

a)

1. interglaciaal

b)

1. glaciaal

c)

2. glaciaal

d)

2. interglaciaal

24.

Overdag is het temperatuurverschil tussen Antwerpen en omgeving ongeveer ...

a)

0,7 graden

b)

2.2 graden

25.

's Nachts is het temperatuurverschil tussen Antwerpen en de omgeving ...

a)

0,7 graden

b)

2.2 graden

26.

In de stad is het ..1.. dan in de landelijke omgeving. Dit verschil is ..2.. groter.

a)

1. kouder

b)

1. warmer

c)

2. overdag

d)

2. 's nachts

27.

Welk begrip gebruiken we voor het temperatuurverschil tussen stedelijke en landelijke gebied

(a)  

28.

Bekijk figuur 8 in je tekstboek. Hoeveel procent van Nederland is gevoelig voor overstroming?

a)

33%

b)

26%

c)

59%

29.

Maatregelen nemen tegen de gevolgen van klimaatverandering noemen we ...

(a)  

30.

Welke maatregelen beschermen Nederland (nu) tegen zeewater? Met andere woorden hoe beschermen we nu ons land tegen het zeewater?

4 lines
31.

Waardoor wordt de relatieve zeespiegelstijging veroorzaakt?

a)

Door bodemdaling

b)

Door het smelten van ijskappen en gletjsers.

c)

Doordat het water door opwarming uitzet.

32.

De bodem daalt in Nederland doordat de bodem in Scandinavië langzaam weer stijgt doordat de ijskap in Scandinavië is verdwenen.

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

De bodem daalt in Nederland doordat de veengronden in Nederland erg nat gehouden wordt. De grondwater wordt hier erg hoog gehouden.

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Door het winnen van delfstoffen (bijvoorbeeld aardgas) kan de bodem ook dalen.

a)

Waar

b)

Niet waar

35.

Wat doen we om Nederland ook in te toekomst te kunnen beschermen tegen hoog water?

4 lines
36.

Wat voor soort kust heeft Nederland?

a)

Aanslibbingskust

b)

Afbraakkust

37.

Hoe beschermt zand (strand) de kust?

a)

De golven verliezen op het zand hun slopende kracht.

b)

Het aangespoelde zand waait op en vormt de duinen.

c)

De golven nemen het zand mee waardoor de zee bij het strand steeds dieper wordt en daardoor wordt het strand steeds langer.

38.

Wat is de juiste volgorde.


Hoe worden duinen in Nederland verstevigd?

1. De wind blaast het zand de duinen in.

2. Het zand spelt door de golven aan op het strand.

3. Zand wordt in zee gedumpt.

4. De stroming in de zee neemt het zand mee langs de kust.

a)

1-2-3-4

b)

3-2-1-4

c)

3-4-2-1

d)

2-4-3-1

39.

Waardoor wordt de zeespiegelstijging veroorzaakt?

a)

Door bodemdaling

b)

Door het smelten van ijskappen en gletjsers.

c)

Doordat het water door opwarming uitzet.

40.
Welk woord hoort bij 1
a)
verdamping
b)
wind
c)
condensatie
d)
neerslag
41.
Welk woord hoort bij 2
a)
regen
b)
sneeuw
c)
neerslag
d)
verdamping
42.
Welk woord hoort bij 3
a)
infiltratie
b)
grondwater
c)
ondergrondse rivier
d)
evaporatie
43.
Welk woord hoort bij 5
a)
infiltratie
b)
verdamping
c)
grondwater
d)
mist
44.
Welk woord hoort bij 8
a)
verdamping
b)
condensatie
c)
infiltratie
d)
evaporatie
45.

Welk deel van het rivierengebied mag overstromen?

a)

rivierbedding

b)

uiterwaarden

c)

winterdijk

d)

zomerdijk

46.

Welk deel van het rivierengebied beschermt de achterliggende dorpen en steden?

a)

rivierbedding

b)

uiterwaarden

c)

winterdijk

d)

zomerdijk

47.

Ruimte voor de rivier=

a)

een natuurgbied

b)

een delta

c)

project van de overheid tegen overstromingen

d)

bruggen project

48.

Nederland krijgt als gevolg van klimaatverandering

a)

meer problemen met water

b)

minder problemen met water

c)

er verandert niets

49.

Welke maatregel van het project Ruimte voor de rivier zie je op de foto?

a)

Dijkverbetering

b)

Dijk verplaatsen

c)

Uiterwaard afgraven

d)

Zomerbedverlaging

50.

Welke maatregel van het project Ruimte voor de rivier zie je op de foto?

a)

Dijkverbetering

b)

Dijk verplaatsen

c)

Uiterwaard afgraven

d)

Zomerbedverlaging

51.

Wat kan een gevolg zijn van een watertekort (door bijvoorbeeld droogte) in Nederland?

4 lines
52.

Welke maatregelen hebben te maken met de zee?

a)

Zandopspuiting

b)

Verbetering dijken

c)

Ruimte voor de rivier

d)

Verbetering afvoer van de Maas

e)

Zoetwatervoorraad beschermen

53.

Welke maatregelen hebben te maken met de rivieren?

a)

Zandopspuiting

b)

Verbetering dijken

c)

Ruimte voor de rivier

d)

Verbetering afvoer van de Maas

e)

Zoetwatervoorraad beschermen

54.

Hoe zou je zelf thuis maatregelen kunnen nemen om het watertekort tijdens droogte tegen te gaan?

4 lines
55.

Waarom moeten rivieren in Nederland vaker grote hoeveelheden water verwerken?

4 lines
56.

Wat voor soort rivier is de Rijn?

a)

Regenrivier

b)

Gletjserrivier

c)

Gemengde rivier

57.

Welk probleem (linkerkant) zie je en hoe proberen ze dat op te lossen (rechterkant)?

4 lines