wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examenquiz

Total questions: 100

Worksheet time: 1hrs 18mins

Name
Class
Date
1.

Welk middel staat op de afbeelding

a)

Tijd

b)

Geld

c)

Schaarste

2.

Welk middel staat op de afbeelding

a)

Tijd

b)

Geld

c)

Schaarste

3.

Vaak heb je niet genoeg middelen om in al je behoeften te voorzien. Dit is de definitie van welk begrip?

a)

Tijd

b)

Geld

c)

Schaarste

4.

Welke begrip hoort bij deze omschrijving: "Het voorzien in de eigen behoeften"

a)

Indirecte ruil

b)

Directe ruil

c)

Prioriteiten stellen

d)

Zelfvoorziening

5.

Als je eieren ruilt tegen een koe. Wat doe je dan?

a)

Indirecte ruil

b)

Directe ruil

c)

Prioriteiten stellen

d)

Zelfvoorziening

6.

Als je eieren ruilt voor geld en van dat geld koop je een koe. Wat doe je dan?

a)

Indirecte ruil

b)

Directe ruil

c)

Prioriteiten stellen

d)

Zelfvoorziening

7.

Koopkracht is ..

a)

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien

b)

De middelen in zetten

c)

Alle noodzakelijke behoeften bevredigen

d)

Alle luxebehoeften bevredigen

8.

Een speeltuin en een parkeerplaats zijn voorbeelden van ...

a)

Zelfvoorziening

b)

Koopkracht

c)

Goederen en diensten

d)

Collectieve voorzieningen

9.

In welke stelling staat een juiste reden waarom bedrijven jongeren als een interessante doelgroep zien?

a)

Jongeren hebben over het algemeen veel geld vrij te besteden

b)

Jongeren kiezen toch welke boodschappen hun ouders doen

10.

Je ziet hier ...

a)

Commerciële reclame

b)

Merkreclame

c)

Ideële reclame

d)

Sluikreclame

11.

De 6 p's worden ook wel de ... genoemd

a)

Alles wat een bedrijf doet om de verkopen te laten toenemen

b)

Product, plaats, promotie, prijs, presentatie, personeel

c)

Winst maken

d)

Marketingmix

12.

Wat is een vergelijkend warenonderzoek?

a)

Gelijksoortige artikelen met elkaar op verschillende eigenschappen vergelijken

b)

Spullen testen op hun levensduur

c)

Het heeft iets met de Consumentenbond te maken

d)

Scores geven aan producten

13.

Een auto is meestal een secundaire behoefte, toch kan het zijn dat je je auto nodig hebt om naar je werk te gaan. Dan is het een ...

a)

Primaire behoefte

b)

Luxe behoefte

c)

Overige behoefte

d)

Secundaire behoefte

14.

Het nationaal inkomen is een optelsom van ...

a)

alle inkomens uit arbeid en bezit van een land

b)

alle inkomens uit overdrachten en bezit van een land

c)

alle inkomens in natura en uit arbeid van een land

d)

alle inkomens uit overdrachten en in natura van een land

15.

In welke regel staan alleen maar consumentenorganisaties?

a)

Rover, ANWB, Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond

b)

Rover en de Hema

c)

Vereniging Eigen Huis, Fairtrade, Kieskeurig

d)

Gezonde vinkje, Consumentenbond, ANWB

16.

wat zijn de drie geldfuncties?

a)

spaar, oppot en rekenmiddel

b)

reken, ruil en spaarmiddel

c)

reken, ruil en betaalmiddel

17.

Een spaardeposito is een spaarrekening waarbij je geld een tijdje vast staat. Welke soort rente hoort bij een spaardeposito?

a)

variabele rente

b)

vaste rente

18.

wat is een ander woord voor krediet?

a)

lening

b)

rente

c)

aflossing

19.

een onverwacht geldtekort, een tijdelijk geldtekort, kopen van een gebruiksgoed of kopen van een huis. dat zijn

a)

spaarmotieven

b)

kredietvormen

c)

leenmotieven

20.

beleggen is geld steken in iets (bijvoorbeeld aandelen) waarvan je verwacht dat het meer oplevert dan sparen

a)

waar

b)

niet waar

21.

tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten die bij bedrijven, personen en instellingen in gebruik zijn

a)

chartaal geld

b)

giraal geld

22.

wat zijn de drie geldfuncties?

a)

spaar, oppot en rekenmiddel

b)

reken, ruil en spaarmiddel

c)

reken, ruil en betaalmiddel

23.

consumentenprijs is altijd de verkoopprijs...….

a)

Inclusief btw

b)

exclusief btw

24.

Winst is….

a)

Inclusief btw

b)

exclusief btw

25.

Een ander woord voor btw is

a)

Inkomstenbelasting

b)

Winstbelasting

c)

Omzet belasting

d)

Vermogensbelasting

26.

omzet is...

a)

het geld dat je krijgt, wanneer je iets verkoopt

b)

aantal verkochte spullen

27.

Timo verkoopt 10 schoenen en heeft hierdoor €600,- verdient. Zijn afzet is...

a)

10 schoenen

b)

€600,-

28.

omzet - inkoopwaarde = nettowinst

a)

juist

b)

onjuist

29.

brutowinst - inkoopwaarde = nettowinst

a)

juist

b)

onjuist

30.

brutowinst - bedrijfskosten = nettowinst

a)

juist

b)

onjuist

31.

omzet - inkoopwaarde = brutowinst

a)

juist

b)

onjuist

32.

vraag en aanbod van een product:

consumenten zijn de aanbieders van producten

a)

juist

b)

onjuist

33.

Waarvoor staat de afkorting van deze ondernemingsvorm: bv?

a)

beschermde vennootschap

b)

bevoegd ondernemer

c)

besloten vennootschap

d)

besloten vereniging

34.

Welke uitspraak past het best bij een 'eenmanszaak'?

a)

Dit is een vennootschap die één man als baas heeft.

b)

Dit is een onderneming die één persoon als eigenaar en baas heeft.

c)

Dit is een zaak die één persoon aangaat.

d)

Dit is één man die een zaak opstart.

35.
Wat is ZZP?
a)
Zelfstandig zonder functie
b)
Zelfstandig zonder personeel
c)
Zelf zonder pers
d)
Zelfstandige met personeel
36.
Over de winst van een eenmanszaak moet ..... betaald worden
a)
dividendbelasting
b)
Inkomstenbelasting
c)
Vennootschapsbelasting
37.
Eenmanszaak is een niet-rechtspersoon
a)
Juist
b)
Onjuist
38.
Bij een vennootschap onder firma (vof)....
a)
Zijn er meerdere eigenaren
b)
Is er maar 1 eigenaar
c)
Het kan allemaal
39.
De vennoten van een VOF zijn hoofdelijk aansprakelijk
a)
Juist
b)
Onjuist
40.
De BV is een zelfstandig rechtspersoon
a)
Juist
b)
Onjuist
41.
Bij een naamloze vennootschap (nv) kunnen de aandelen vrij verhandeld worden
a)
Juist
b)
Onjuist
42.
Bij berekening van het bbp wordt als productie van de overheid beschouwd...
a)
de omzet van de overheid.
b)
de som van de salarissen van het overheidspersoneel.
c)
de som van alle belastingontvangsten.
d)
de som van alle overheidsuitgaven.
43.
Productie in enge zin of formele productie is de officieel geregistreerde productie die plaatsvindt bij de overheid en in de bedrijven
a)
Waar
b)
Niet waar
44.
Vrijwilligerswerk is een voorbeeld van informele productie
a)
Waar
b)
Niet waar
45.
Productie van bedrijven valt onder informele productie
a)
Waar
b)
Niet waar
46.
De politie is een typisch voorbeeld van een collectief goed
a)
Waar
b)
Niet waar
47.
Waaruit bestaan de 4 productiefactoren?
a)
kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap
b)
kapitaal, arbeid, loon en rente
c)
arbeid, loon, pacht en winst
d)
natuur, ondernemerschap, kapitaal en winst
48.
Wat zijn productiefactoren?
a)
Middelen die je nodig hebt om te produceren
b)
een machine die zoveel mogelijk produceert 
c)
arbeiders die werken en loon daarvoor krijgen
d)
zoveel mogelijk produceren in een korte tijd
49.
Ondernemerschap is het succesvol inzetten van de productiefactoren Arbeid, natuur en kapitaal
a)
Waar
b)
Niet waar
50.

In een overeenkomst staat o.a. hoeveel uur per week je werkt, wat je loon is en hoeveel vakantiedagen je hebt, dat noem je een ...

a)

CAO

b)

arbeidsovereenkomst

c)

deeltijdbaan

d)

voltijdbaan

51.

Een groep gelijksoortige bedrijven zoals de horeca, bouw of gezondheidszorg noem je ..

a)

ondernemingsvorm

b)

de arbowet

c)

uitzendwerk

d)

één bedrijfstak

52.

CAO betekent

a)

Collectieve Algemene Ouderdomswet

b)

Centrale Arbeidsomstandigheden

c)

Collectieve Arbeidsovereenkomst

d)

Centrale Arbeidsovereenkomst

53.

Bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ben je in vaste dienst.

a)

dat is juist

b)

dat is onjuist

54.

Bij ontslag op staande voet, geldt een opzegtermijn van twee maanden.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

55.

Welke wet geeft regels voor werk- en rusttijden. En gelden voor jongeren aparte regels, afhankelijk van hun leeftijd.

a)

Arbowet

b)

Arbeidstijdenwet

c)

Algemene ouderdomswet

d)

Wettelijk minimumloon

56.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector vallen een politieman en een chirurg

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

57.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector valt een tomatenkweker

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

58.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector valt een taxichauffeur

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

59.

Er zijn vier productiesectoren. Onder welke sector vallen een slager en een stratenmaker

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

60.

Aandelen die je op de beurs kunt kopen, zijn van een nv (=naamloze vennootschap)

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

61.

De winst die een bv of nv uitkeert, noem je dividend.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

62.

Aandeelhouders van een bv moeten met hun privégeld de schulden van dat bedrijf betalen.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

63.

Als je het hebt over het geheel van vraag naar arbeid en aanbod van arbeid, dan bedoel je daarmee…

a)

de arbeidsmarkt

b)

beroepsbevolking

c)

de vacatures

d)

de werkgelegenheid

64.

Omdat bepaald werk maar in een deel van het jaar kan worden gedaan, ontstaat er ...

a)

geregistreerde werkloosheid

b)

verborgen werkloosheid

c)

seizoenswerkloosheid

d)

regionale werkloosheid

65.

Als de koopkracht van de mensen daalt en er daardoor minder vraag naar producten is, ontstaat er ...

a)

Conjuncturele werkloosheid

b)

Frictiewerkloosheid

c)

Structurele werkloosheid

d)

Verborgen werkloosheid

66.

Als mensen ontslagen worden duurt het een tijdje voor ze een nieuwe baan hebben en ontstaat er ...

a)

conjuncturele werkloosheid

b)

structurele werkloosheid

c)

frictiewerkloosheid

d)

regionale werkloosheid

67.

Wat betekend het woord Actieven?

a)

Personen met een eigen bedrijf

b)

Personen met een eigen inkomen uit arbeid of vermogen

c)

Personen die werken voor de overheid en daarvoor geld krijgen

d)

Lars en Tijs die dik gaan

68.

Wat zijn niet actieven?

a)

Personen die arbeidsongeschikt zijn en die meerdere uitkeringen krijgen

b)

Personen die zwart werken voor verschillende bedrijven

c)

Lars en Tijs die skeer zijn

d)

Personen met een uitkering als inkomstenbron

69.

De sociale zekerheid blijft betaalbaar als:

a)

Als iedereen op vakantie gaat

b)

het aantal actieven toeneemt en het aantal niet-actieven afneemt

c)

Als de werknemers thuis werken

d)

Als mensen stoppen met werken

70.

Stel: Je kunt na je MBO opleiding niet direct een baan krijgen. Kun je dan een WW uitkering krijgen?

a)

Ja, je bent beschikbaar voor werk

b)

Ja, iedereen zonder werk krijgt WW

c)

Nee, daarvoor ben je te jong

d)

Nee, je hebt nog geen baan gehad

71.
Welke wet regelt een uitkering op het moment dat de kostwinnaar overlijdt?
a)
AWBZ
b)
AOW
c)
ANW
d)
WIA
72.
Het pensioen wordt officieel ....... genoemd
a)
AOW
b)
ANW
c)
WIA
d)
AWBZ
73.

Elize (25) is secretaresse. Na drie jaar krijgt ze ontslag. Elize heeft recht op een

a)

Bijstand

b)

een werkloosheidsuitkering

74.

Nederland is een verzorgingsstaat

a)

juist

b)

onjuist

75.

Een open economie is ...


(kies het beste antwoord)

a)

een economie met veel import en export.

b)

een economie zonder dak.

c)

een economie met relatief veel import en export

d)

een economie met havens en vliegvelden.

76.
Goederen en diensten verkopen aan buitenlandse bedrijven en personen
a)
directe ruil
b)
indirecte ruil
c)
export
d)
import
77.
goederen en diensten kopen uit het buitenland
a)
importeren
b)
exporteren
c)
importquote
d)
exportquote
78.

Meer export betekent voor Nederland ...

a)

meer productie en toename van de werkloosheid

b)

minder productie en een daling van de werkloosheid

c)

toename van de werkgelegenheid

d)

daling van de werkgelegenheid

79.
De totale uitvoerwaarde als % van het nationaal inkomen
a)
exportquote
b)
importquote
c)
brutowinstpercentage
d)
betalingsbalans
80.

Het verschil tussen de EU en de EMU is dat...

a)

ze in de EU allemaal met de euro betalen en in de EU niet

b)

ze in de EMU allemaal met de euro betalen en in de EU niet

c)

de EU mensen gaat en de EMU alleen over geld

d)

de EMU alleen over mensen gaat en de EU alleen over geld

81.

Welke handelsbelemmering herken je? Er mag een maximaal aantal producten worden ingevoerd.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

82.

Welke vrijheden herken je? burgers mogen vrij de grens over om in een ander land te gaan werken

a)

vrij verkeer van personen

b)

vrij verkeer van goederen

c)

vrij verkeer van kapitaal

83.

Welke handelsbelemmering herken je? Importheffingen. Belasting op ingevoerde producten.

a)

Contingentering

b)

Exportsubsidie

c)

Invoerrechten heffen

d)

Protectiemaatregelen

e)

Importverbod.

84.

Welk begrip hoort bij de volgende definitie: " De toenemende vrije wereldhandel als gevolg van het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport."

a)

Globalisering

b)

Internationale arbeidsverdeling

c)

Internationale concurrentiepositie

85.

Het nationaal inkomen is

a)

Dat zijn alle inkomens van de inwoners van ons land bij elkaar opgeteld.

b)

Dat zijn alle inkomens van de inwoners van de Europese unie bij elkaar opgeteld.

86.

Welk begrip is het beste van toepassing op deze afbeelding?

a)

Werkloosheid

b)

Armoede cirkel

c)

Vicieuze cirkel

d)

Ontwikkelingsland

87.

Wat zijn kenmerken van een ontwikkelingsland? (meerdere antwoorden juist).

a)

Langzame bevolkingsgroei

b)

Weinig werkgelegenheid

c)

Gebrek aan scholing

d)

Kleine kloof tussen arm en rijk

e)

Slechte gezondheidszorg

88.

In ontwikkelingslanden is een goede gezondheidszorg en kunnen de mensen de makkelijk naar het ziekenhuis.

a)

Waar

b)

Niet waar

89.

Welke hulp is het meest passend bij deze krantenkop?

a)

Structurele hulp

b)

Noodhulp

c)

Gebonden hulp

90.

Als een ontwikkelingsland een tegenprestatie moet leveren voor de hulp die zijn ontvangen van een Westers land, is er sprake van...

a)

Gebonden hulp

b)

Ongebonden hulp

c)

Structurele hulp

d)

Noodhulp

91.

Wat staat er in de Rijksbegroting?

a)

accijnzen en subsidies

b)

de verwachte inkomsten en uitgaven

c)

de totale belasting inkomsten

d)

een toelichting op de keuzes van de overheid

92.

Burgers en bedrijven zijn verplicht........... te betalen aan de overheid?

a)

belasting

b)

verzekeringspremies

c)

accijnzen

d)

subsidies

93.

De overheid en de instellingen voor de sociale zekerheid noem je samen de?

a)

private sector

b)

collectieve sector

c)

primaire sector

d)

Rijksoverheid

94.

Op welk product wordt geen accijns geheven?

a)

voeding

b)

sigaretten

c)

benzine

d)

wijn

95.

De kinderbijslag is een voorbeeld van

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen van bezit

c)

Overdrachtsinkomen

96.

In welke optie staat een mogelijkheid om het begrotingstekort te verkleinen?

a)

Besparen op de uitgaven

b)

Meer uitgeven

c)

Zorgen dat de inkomsten minder zijn

d)

Zorgen dat de belastingen verlaagd worden

97.

In welke antwoordoptie staan alleen indirecte belastingen?

a)

OZB, BTW

b)

BTW, loonbelasting

c)

Loonbelasting, OZB

d)

BTW, accijns

98.

Waarom heft de overheid accijns?

a)

Ze willen bedrijven stimuleren om producten te maken

b)

Ze verwachten daarmee extra inkomsten

c)

Ze willen consumenten daarmee waarschuwen

d)

Ze hopen dat er dan minder van dat product gekocht wordt

99.

Op welke wijze kan de overheid het gebruik van bepaalde goederen stimuleren?

a)

Accijns heffen

b)

BTW op 21% zetten

c)

Subsidie geven

d)

Een uitkering geven

100.

De particuliere sector bestaat uit ...

a)

Burgers en bedrijven

b)

De overheid