Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Code+ 3 grammatica H1

Total questions: 15

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Petra gaat niet naar school. Ze heeft vakantie (omdat)

a)

Petra gaat niet naar school omdat ze heeft vakantie.

b)

Petra gaat niet naar school omdat ze vakantie heeft.

2.

Ik ga niet met de fiets. Het regent. (als)

a)

Ik ga niet met de fiets als het regent.

b)

Ik ga als het regent niet met de fiets.

c)

Als regent het, ik ga niet met de fiets.

d)

Het regent als ik niet met de fiets ga.

3.

Ik ga eerder weg. Ik moet boodschappen doen. (omdat)

a)

Ik ga eerder weg omdat ik boodschappen moet doen.

b)

Ik moet boodschappen doen omdat ik eerder weg moet.

c)

Omdat ik boodschappen moet doen, ga ik eerder weg.

d)

Omdat ik moet boodschappen doen, ik ga eerder weg.

4.

Ik ga naar de tandarts. Ik heb kiespijn. (als)

a)

Ik ga naar de tandarts als ik heb kiespijn.

b)

Ik heb kiespijn als ik ga naar de tandarts.

c)

Als ik kiespijn heb ga ik naar de tandarts.

d)

Ik ga naar de tandaarts als ik kiespijn heb.

5.

Waarom ben je te laat? Ik begrijp het niet.

a)

Ik begrijp het niet waarom je bent te laat.

b)

Ik begrijp niet waarom je te laat bent.

c)

Ik niet begrijp waarom je bent te laat.

6.

Wanneer ga je verhuizen? Vertel het me.

a)

Vertel me wanneer je gaat verhuizen.

b)

Vertel het me wanneer je verhuizen gaat.

c)

Wanneer je gaat verhuizen vertel me.

7.

Wanneer ga je naar de stad? Ik vroeg het aan Anneke.

a)

Ik vroeg aan Anneke wanneer ze naar de stad ging.

b)

Wanneer ga je naar de stad vroeg ik aan Anneke.

c)

Ik vroeg aan Anneke wanneer ze gaat naar de stad.

8.

Waarom ben je te laat? Ik vroeg het aan Simon.

a)

Ik vroeg aan Simon waarom hij te laat was.

b)

Ik vroeg aan Simon waarom hij is te laat.

c)

Ik vroeg Simon waarom hij te laat was.

d)

Ik vroeg aan Simon waarom hij te is

9.

Waarom eet je bruin brood? Ik vind het lekker.

a)

Omdat ik het lekker vind.

b)

Omdat ik vind lekker.

c)

Want ik vind lekker.

d)

Ik eet bruin brood want ik vind het lekker.

10.

Ik ken die stad niet.

a)

Ik ben er nooit geweest.

b)

Ik ben daar nooit geweest.

c)

Er ben ik nooit geweest.

d)

Ik ben nooit geweest.

11.

Kan ik mevrouw De Rooy spreken?

a)

Het spijt me, ze is er niet.

b)

Het spijt me, ze er niet is.

c)

Het spijt me, ze is niet er.

12.

Ga je weleens naar de markt?

a)

Nee, ik ben er nooit geweest.

b)

Ja, ik ga er twee keer per week heen.

c)

Ja, ik er ga twee keer per week heen.

13.

Hij is met vakantie naar Spanje geweest.

a)

Er was het prachtig weer.

b)

Het was er prachtig weer.

c)

Het weer er was prachtig.

14.

Was je vorige week in Londen?

a)

Ja, ik was er vorige week.

b)

Nee, ik ga er morgen heen.

c)

Nee ik er ga volgende week.

d)

Nee ik ga er volgende week.

15.

Hoelang heb je in Parijs gewoond?

a)

Ik heb er drie jaar gewoond.

b)

Ik heb daar drie jaar gewoond.

c)

Ik heb drie jaar er gewoond.

d)

Ik daar drie jaar heb gewoond.