wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5V Zenuwstelsel, zintuigstelsel en afweer

Total questions: 28

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat het perifeer zenuwstelsel?

a)

Hersenen en ruggenmerg

b)

Orthosympatisch en parasympatisch

c)

Sensorisch en motorisch

d)

Autonoom en animaal

2.

Wat is de functie van de kleine hersenen?

a)

Evenwicht houden

b)

Bewuste gewaarwording van prikkels

c)

Coördinatie van bewegingen

d)

Aansturen autonome functies zoals hartslag en ademhaling

3.

Bij welk type neuron ligt het cellichaam in het centrale zenuwstelsel? En welk type neuron ligt volledig in het CZS?

a)

schakelcel - sensorisch neuron

b)

sensorisch neuron - schakelcel

c)

motorisch neuron - sensorisch neuron

d)

motorisch neuron - schakelcel

e)

schakelcel - motorisch neuron

4.

Insecticiden uit de groep van neonicotinoïden blokkeren de acetylcholine- receptoren in het centrale zenuwstelsel van insecten.


Welk proces wordt hierdoor direct onmogelijk gemaakt?

a)

afgifte van neurotransmitters

b)

impulsgeleiding

c)

impulsoverdracht

d)

productie van neurotransmitters

5.

Wat is het effect van een beschadiging op plek 7?

a)

Patiënt voelt niks in de linkerarm

b)

Patiënt voelt niks in de rechterarm

c)

Patiënt kan linkerarm niet bewegen

d)

Patiënt kan rechterarm niet bewegen

6.

Wat is de naam van onderdeel 1 en wat geven de zwarte pijlen (2) aan in dit onderdeel?

a)

1 = cellichaam, 2 = prikkel

b)

1 = axon, 2 = impuls

c)

1 = axon, 2 = prikkel

d)

1 = cellichaam, 2 = impuls

e)

1 = dendriet, 2 = impuls

7.

Wat voor type zenuwcel is 5?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Geen van drieën

8.

De hartslag wordt gecontroleerd door ...

a)

Het willekeurig zenuwstelsel

b)

Het perifeer zenuwstelsel

c)

Het autonoom zenuwstelsel

d)

Het animale zenuwstelsel

9.

Wat gebeurt er tijdens de depolarisatie in een zenuwceluitloper?

a)

er gaat Na+ de cel in

b)

er gaat Na+ de cel uit

c)

er gaat K+ de cel in

d)

er gaat K+ de cel uit

10.

De signaalcascade in de smaakzintuigcel leidt uiteindelijk via een verhoging van de Ca2+-concentratie in het cytoplasma tot het ontstaan van impulsen in het aangrenzende neuron.


Hoe reageert het presynaptisch membraan op de verhoging van de Ca2+-concentratie?

a)

synthese van neurotransmitter

b)

exocytose van neurotransmitter

c)

opname van natrium ionen

d)

afgifte van natrium ionen

11.

Hoe sterker de prikkel ...

a)

hoe sterker de impuls

b)

hoe hoger de frequentie van impulsen

c)

hoe hoger de frequentie van sterkere impulsen

d)

hoe korter een impuls duurt

12.

Welk celtype kun je niet aantreffen in het onderdeel dat wordt aangegeven met nummer 9?

a)

Staafjes

b)

Kegeltjes

c)

Rode bloedcellen

d)

Pigmentcellen

e)

Zenuwcellen

13.

Wat gebeurt er met de pupil bij fel licht?

a)

De pupil wordt kleiner doordat de kringspieren in de iris samentrekken.

b)

De pupil wordt groter doordat de kringspieren in de iris samentrekken.

c)

De pupil wordt kleiner doordat de spieren in het straalvormig lichaam samentrekken.

d)

De pupil wordt groter doordat de spieren in het straalvormig lichaam ontspannen.

14.

Welke zintuigcellen gebruik je om te zien als er weinig licht is? En hebben deze zintuigcellen een hoge of een lage drempelwaarde voor licht?

a)

Kegeltjes, hoge drempelwaarde

b)

Staafjes, hoge drempelwaarde

c)

Kegeltjes, lage drempelwaarde

d)

Staafjes, lage drempelwaarde

15.

De vliegenzwam is een opvallende paddenstoel. Het eten ervan kan leiden tot vergiftigingsverschijnselen. De vliegenzwam bevat stoffen met een bedwelmende en hallucinogene werking. Een van deze stoffen is muscimol, dat als een neurotransmitter werkt.


In afbeelding 5 zie je delen van een aantal zenuwcellen. Vier plaatsen zijn met een cijfer aangegeven.

Welk cijfer geeft de plaats aan waar muscimol werkzaam is waardoor een bedwelmend effect in de hersenen ontstaat?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

16.

Tjeerd de Faber, kinderoogarts van het Oogziekenhuis Rotterdam, legt uit: “Je hebt drie dingen nodig voor pretoogjes: een kleine lidspleet (de ruimte tussen het bovenste en onderste ooglid), een wijde pupil en ophoping van traanvocht. (afbeelding 1)

Als je pret hebt, wordt de lidspleet kleiner doordat je de oogleden naar elkaar toetrekt. Normaal is de ruimte tussen de oogleden rond de tien millimeter. Bij pret verkleint die tot zo’n zeven millimeter.

De pupilgrootte wisselt voortdurend. Vrouwen gebruikten in de 19de eeuw al het plantaardige middel atropine om hun pupillen groter te maken.

Dan de derde factor: door het samenknijpen van de oogleden ontstaat er een ophoping van traanvocht.” Pretoogjes ontstaan als reactie op een plezierige waarneming, bijvoorbeeld als iemand iets grappigs ziet. Diverse cellen worden dan geactiveerd. Voorbeelden van celtypen en celonderdelen zijn:

1 kegeltjes

2 uitlopers van motorische zenuwcellen

3 opperhuidcellen van het ooglid

4 schakelcellen

5 uitlopers in een sensorische zenuw

6 spiercellen


Welke van deze worden dan geactiveerd en in welke volgorde?

a)

1 - 2 - 4 - 5 - 6

b)

1 - 5 - 4 - 2 - 6

c)

3 - 2 - 4 - 5 - 6

d)

3 - 5 - 4 - 2 - 6

17.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

18.

Waar begint de reflexboog van de pupilreflex?

a)

In de iris 

b)
In het netvlies 
c)
In de lens
d)

In de pupil

19.

............................. zijn herkenningspunten (delen van eiwitten) aan de buitenkant van een cel. Hieraan kun je een cel herkennen.

a)

Antistoffen

b)

Bacteriën

c)

Antigenen

d)

Vaccinatie

20.

Je bent immuun voor een ziekteverwekker als ...

a)

er voortdurend antistoffen tegen die ziekte in je bloed zitten

b)

B-lymfocyten continu antistoffen tegen deze ziekteverwekker maken

c)

je niet-specifieke afweersysteem is versterkt

d)

B-lymfocyten gestimuleerd worden om heel snel ziekteverwekkers te omsluiten en vernietigen

e)

Als er B-geheugencellen zijn voor deze ziekteverwekker

21.

Verkoudheid kan worden veroorzaakt door verschillende virussen. Wanneer iemand van een verkoudheid die door een virus is veroorzaakt, is genezen, kan hij vrij kort daarna opnieuw verkouden worden als gevolg van een virusinfectie. Hiervoor worden verschillende verklaringen geopperd. Welke van deze verklaringen is juist?

a)

De antistoffen die tegen verkoudheidsvirussen worden gevormd, zijn slechts enkele uren in het lichaam werkzaam.

b)

De antistoffen die tegen het ene verkoudheidsvirus zijn gevormd, bieden geen bescherming tegen een ander verkoudheidsvirus.

c)

Na de eerste verkoudheid is de hoeveelheid antigenen in zijn lichaam toegenomen.

d)

Er zijn alleen antistoffen tegen een verkoudheidsvirus in het lichaam aanwezig, zolang dat virus in het lichaam actief is.

22.

Welke van de onderstaande onderdelen horen bij het verworven (specifieke) afweersysteem?

a)

B-lymfocyten

b)

Macrofagen

c)

Maagzuur

d)

NK-cellen

23.

Wat is GEEN lymfoïde orgaan?

a)

Beenmerg

b)

Lymfeknopen

c)

Nier

d)

Thymus

24.

Welke cel is vooral actief bij de cellulaire afweer met het vernietigen van geïnfecteerde cellen?

a)

B-cellen

b)

Macrofagen

c)

cytotoxische T-cellen

d)

T-helpercellen

e)

Granulocyten

25.

Men heeft een zeer kleine hoeveelheid bacteriën geïsoleerd van een soort die bij koeien een bepaalde ziekte verwekt. De beschikbare bacteriën worden in enkele gezonde koeien geïnjecteerd. Hieronder zijn vier handelingen vermeld.

I Uit de geïnfecteerde koeien worden antistoffen tegen de bacterie geïsoleerd.

II Uit de geïnfecteerde koeien worden bacteriën geïsoleerd en kunstmatig verzwakt.

III Antistoffen tegen deze bacterie worden in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.

IV Een geringe dosis van de verzwakte bacteriën wordt in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.


Welke van de bovengenoemde handelingen moet men uitvoeren en in welke volgorde om een groot aantal koeien actief te immuniseren tegen deze ziekte?

a)

I, III

b)

II, IV

c)

I, III, II, IV

d)

II, IV, I, III

26.

Bij welke type(n) immunisatie wordt/worden er antistoffen gemaakt door het lichaam?

a)

Bij actieve kunstmatige immunisatie

b)

Bij actieve natuurlijke immunisatie

c)

Bij passieve kunstmatige immunisatie

d)

Bij passieve natuurlijke immunisatie

27.

Welk type immunoglobuline (Ig) is betrokken bij allergische reacties?

a)

IgG

b)

IgA

c)

IgD

d)

IgE

28.

Bas heeft bij een operatie veel bloed verloren. Hij heeft een bloedtransfusie nodig. Zijn bloedgroep is B-. Helaas is dit niet op voorraad. Welke bloedgroep(en) komt/komen ook in aanmerking om aan Bas te geven?

a)

AB-

b)

0+

c)

A-

d)

AB+

e)

0-