wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toets werkwoorden

Total questions: 35

Worksheet time: 2hrs 45mins

Name
Class
Date
1.

Geef je naam

4 lines
2.

Welke zinnen staan in de tegenwoordige tijd (nu)?

a)

Ik ga graag naar school.

b)

Mijn oma is heel erg lief.

c)

De hond lag de hele voormiddag in de tuin.

d)

Oscar weent al de hele dag.

e)

Peter kreeg een sticker.

3.

Welke zinnen staan in de verleden tijd (vroeger)?

a)

Mama kwam om acht uur thuis.

b)

Marie keek mij boos aan.

c)

Juf spreekt erg luid.

d)

Meester gaf Robin een 10/10.

e)

Die auto reed veel te snel.

4.

De infinitief van een werkwoord kun je vinden door:

Let op! Er zijn meerdere antwoorden juist!

a)

Ik zal... voor het werkwoord te plaatsen.

b)

Wij... voor het werkwoord te plaatsen.

c)

Ik... voor het werkwoord te plaatsen.

d)

Hij... voor het werkwoord te plaatsen.

5.

De stam van een werkwoord kun je vinden door:

Let op! Er is maar 1 juist antwoord!

a)

Ik zal... voor het werkwoord te plaatsen.

b)

Wij... voor het werkwoord te plaatsen.

c)

Ik... voor het werkwoord te plaatsen.

d)

Hij... voor het werkwoord te plaatsen.

6.

Geef de stam van het werkwoord lopen:

(a)  

7.

Geef de stam van het werkwoord zijn:

(a)  

8.

Geef de stam van het werkwoord drinken:

(a)  

9.

Geef de stam van het werkwoord zitten:

(a)  

10.

Geef de stam van het werkwoord roepen:

(a)  

11.

Geef de stam van het werkwoord typen:

(a)  

12.

Geef de stam van het werkwoord zien:

(a)  

13.

Geef de stam van het werkwoord rennen:

(a)  

14.

Geef de stam van het werkwoord springen:

(a)  

15.

Geef de stam van het werkwoord vliegen:

(a)  

16.

Geef de stam van het werkwoord duiken:

(a)  

17.

Geef de stam van het werkwoord vallen:

(a)  

18.

Geef de stam van het werkwoord zwemmen:

(a)  

19.

Vul aan in de tegenwoordige tijd: Ik ... graag. (koken)

(a)  

20.

Vul aan in de tegenwoordige tijd: Jullie ... snel (lopen)

(a)  

21.

Vul aan in de verleden tijd: Hij ... luid. (roepen)

(a)  

22.

Vul aan in de tegenwoordige tijd: Ik ... naar school. (gaan)

(a)  

23.

Vul aan in de verleden tijd: Zij ... twee vogels. (zien)

(a)  

24.

Vul aan in de tegenwoordige tijd: Papa ... mij halen. (komen)

(a)  

25.

Vul aan in de verleden tijd: Sara ... in het water. (springen)

(a)  

26.

'De hond blaft naar de buren.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

27.

'Het paard stond in de weide.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

28.

'Marie brengt een tas koffie.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

29.

'Mijn kat wil naar buiten.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

30.

'Zij zong een mooi lied.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

31.

'De leeuwen brulden luid.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

32.

'De zoo opent de deuren om half negen.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

33.

'Jonas veegt de klas.'

Geef de infinitief van mijn werkwoord.

(a)  

34.

Maak een goede zin in de tegenwoordige tijd met het werkwoord 'sluiten':

4 lines
35.

Maak een goede zin in de verleden tijd met het werkwoord 'zitten':

4 lines