wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4_Brandstoffen

Total questions: 29

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Er zijn 3 voorwaarden voor het verlopen van een verbrandings reactie:

- Er moet voldoende zuurstof zijn.

- de ontbrandingstemperatuur moet bereikt zijn

- er moet een (a)   zijn

2.

Maak de volgende reactie vergelijking kloppend:

4CH4 + 5 O2 ---> (a)   CO + ... C + 8 H2O

(vul de twee getallen in met een spatie ertussen)

3.

Wat is een reagens?

a)

een stof die heftig reageert met een andere stof

b)

een stof die men toevoegt om de aanwezigheid van een andere stof aan te tonen

c)

een verbinding die bestaat uit 2 atoomsoorten

4.

Een (a)   reactie heeft continu energie nodig om te verlopen

5.

Bij een (a)   reactie komt er energie vrij

6.

Welke gas heb je nodig bij verbranding?

a)

Koolstofdioxide

b)

stikstof

c)

zuurstof

d)

geen van de 3 genoemde

7.

De reactie tussen bleekwater en ammoniak is exotherm en verloopt zeer snel. Welk energiediagram past het best bij deze reactie?

a)

diagram A

b)

diagram B

c)

diagram C

d)

diagram D

8.
aardolie, aardgas en steenkool zijn fossiele brandstoffen.
a)
juist
b)
fout
9.
fossiele brandstoffen zijn brandstoffen die altijd voorradig zijn.
a)
fout
b)
juist
10.

energie kan je omzetten van de ene vorm in de andere. Bij een elektriciteitscentrale wordt...

a)
warmte energie omgezet in elektrische energie
b)
elektrische energie omgezet in lichtenergie
c)
chemische energie omgezet in elektrische energie
11.
Als in een elektriciteitscentrale chemische energie wordt omgezet in 40% elektrische energie en 60% afvalwarmte dan heeft de centrale een rendement van...
a)
40%
b)
60%
12.

Welke is geen fossiele brandstof?

a)

Steenkool

b)

Aardgas

c)

Kernenergie

d)

Aardolie

13.
Houtsnippers, frituurvet, mest en plantenresten zijn voorbeelden van
a)
Biomassa
b)
Aardwarmte
c)
Fossielen
d)
Groene energie
14.

Deze energiecurven is van een

a)

Endotherme reactie

b)

Exotherme reactie

15.
Om een stof te laten verbranden moet je de stof eerst aansteken. Welke uitspraak is juist?
a)
Verbrandingsreacties zijn endotherm.
b)
Verbrandingsreacties zijn exotherm.
16.
Wat is de naam van de stof met de volgende molecuulformule: SO2
a)
Koolstofdioxide
b)
Zwaveldioxide
c)
Zwaveloxide
d)
Koolstofoxide
17.
Bij de volledige verbranding van een bepaalde koolstofverbinding ontstaan CO2 en H2O. Welke conclusie is juist?
a)
De brandstof bevat alleen koolstof- en waterstofatomen.
b)
De brandstof bevat koolstof- en waterstofatomen en kan ook zuurstof atomen bevatten
18.

Drie voorwaarden voor een verbrandingsreactie zijn:

a)

Vuur, voldoende stikstof, een brandstof

b)

Een brandstof, voldoende zuurstof, voldoende water.

c)

Een verbrandingsproduct, water en een zeer lage temperatuur

d)

Een brandstof, voldoende zuurstof, temperatuur die hoog genoeg is

19.

Bij onvolledige verbranding:

a)

Is nog niet alle brandstof verbrand

b)

Is er tijdens de verbranding te weinig zuurstof aanwezig

c)

Is en te weinig brandstof

d)

Duurt de verbranding te lang

20.

Bij de volledige verbranding van dimethylsulfoxide, C2H6SO ontstaan de volgende reactieproducten:

a)

Koolstofdioxide, water, zuurstof en zwaveldioxide

b)

Koolstof, waterstof, zwavel en zuurstof

c)

Water en koolstofdioxide

d)

Koolstofdioxide, water en zwaveldioxide

21.

Een reagens voor de stof water is:

a)

Helder kalkwater

b)

Geel broomwater

c)

Wit kopersulfaat

d)

Blauw kopersulfaat

22.

Met welk reagens kun je CO2 aantonen?

a)

Kalkwater

b)

Zuurstof

c)

Een gloeiend houtje

d)

Uitgeademde lucht

23.

Wat kan ik aantonen met helder kalkwater?

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

koolstodioxide

d)

helium

24.

Jantje wil water in een mengsel aantonen. Welk reagens kan hij hiervoor gebruiken? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Joodoplossing

b)

Custardpoeder

c)

Kopersulfaat

d)

Kalkwater

25.

CO2 afkomstig van welke brandstoffen draagt bij aan de trage koolstofkringloop? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Aardolie

b)

Steenkool

c)

Aardgas

d)

waterstof

e)

biodiesel

26.

Welke stoffen veroorzaken zure regen?

a)

Zwaveldioxide

b)

Stikstofoxide

c)

Koolstofdioxde

d)

Methaangas

27.

Welke uitspraken over explosies zijn waar?

a)

Een explosie is een zeer snelle verbranding in een afgesloten ruimte.

b)

Een explosie is het gevolg van een volumevermindering.

c)

Alleen vloeibare brandstoffen kunnen exploderen.

d)

Een mengsel is explosief als het binnen de explosiegrenzen valt.

28.

In een brandstof ligt energie opgeslagen in de vorm van _____

a)

Chemische energie

b)

Bewegingsenergie

c)

Warmte

d)

Thermische energie

29.

Er is brand in een ruimte met veel dure apparatuur. Welk blusmiddel moet je hier zeker niet gebruiken?

a)

Water

b)

Blusdeken

c)

Schuim

d)

Koolstofdioxide