wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tijd voor Geschiedenis klas2 6.1 t/m 6.3

Total questions: 38

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving:


'denkstroming, met het hoogtepunt in de 18e eeuw, waarbij het gebruik van het menselijk verstand centraal staat'

a)

Ratio

b)

Renaissance

c)

Verlichting

d)

Verlicht denken

2.

Wat wordt er bedoeld met ratio?

a)

Een nieuwe uitvinding uit de 18e eeuw

b)

De rede (gezond) verstand

c)

Dat is een ander woord voor Renaissance

d)

Dat mensen niet voor zichzelf dachten

3.

Welk kenmerk past NIET bij de Verlichting?

a)

Geleerden gaan er vanuit dat mensen kunnen groeien en kunnen leren

b)

Geleerden vinden dat kerkleiders de mensen dom en onwetend houden

c)

Mensen volgen de adviezen op van anderen en denken niet voor zichzelf

d)

Er werden vragen gesteld over de manier waarop de samenleving werd bestuurd

4.

Wat is de juiste omschrijving van het begrip Verlichting?

a)

Denkstroming in de 18e eeuw die het gebruiken van het eigen verstand centraal stelde. Hierdoor kon een betere samenleving worden gemaakt.

b)

Denkstroming in de 19e eeuw die het gebruiken van van het eigen verstand centraal stelde. Hierdoor kon een betere samenleving worden gemaakt.

c)

Een nieuwe uitvinding in de 18e eeuw waarbij mensen niet meer kaarsen als verlichting hoefden te gebruiken, maar nu lampen konden gebruiken.

d)

Denkstroming waarbij mensen op een bepaalde manier gingen denken dat ze zich erg verlicht voelden.

5.

John Locke was een verlichtingsfilosoof.

a)

Goed

b)

Fout

6.

Volgens John Locke mocht het volk de koning afzetten als hij geen rekening hield met de belangen van het volk.

a)

Goed

b)

Fout

7.

Montesquieu was de bedenker van de...

a)

Natuurwetten

b)

Staten-Generaal

c)

Trias politica

d)

Verlichting

8.

Uit welke drie machten bestaat de Trias Politica?

a)

Uitvoerlijke macht, wettelijke macht en de rechterlijke macht

b)

Wetgevende macht, uitvoerende macht en rechtgevende macht

c)

Wetgevende macht, beslissings- macht en rechtsprekende macht

d)

de hoogste macht, wetgevende macht en rechtelijke macht

9.

Verspreiding in Frankrijk van de Verlichtingsideeën ging via

a)

Kranten

b)

Bijeenkomsten in salons, georganiseerd door rijke dames

c)

Boeken

10.

Waar waren de inwoners van Frankrijk vooral ontevreden over tijdens de regeerperiodes van Lodewijk XIV, XV en XVI?

a)

Het vele geld wat de koningen uitgaven aan hun dure hofhouding en vele oorlogen

b)

Dat de koningen teveel met andere landen bezig waren, i.p.v. Frankrijk zelf

c)

Dat de koningen alles zelf kon bepalen en geen toestemming nodig had van een parlement

d)

De koningen waren teveel bezig met hun vrouwen, die allemaal dure kleding kochten

11.

Welke omschrijving van het absolutisme is juist?

a)

Manier van regeren waarbij de president alle macht van God heeft gekregen en daardoor het alleenrecht heeft

b)

Manier van regeren waarbij de ministers niets tegen de vorst kunnen inbrengen, omdat zo moet van de kerk

c)

Manier van regeren waarbij de vorst alle macht in handen heeft omdat God hem al die macht gegeven zou hebben

d)

Manier van regeren waarbij het parlement alle macht heeft en de koning niets te zeggen heeft

12.

Volgens welke verlichtingsdenken mocht het volk de koning afzetten als die niet rekening hield met de belangen van het volk

a)

John Locke

b)

Montesquieu

c)

Rousseau

d)

Voltaire

13.

Welk verschijnsel in de 18e eeuw in Frankrijk past bij deze afbeelding?

a)

De verlichting

b)

Ancien Régime

c)

Standenmaatschappij

d)

Franse Revolutie

14.

Wat is de juiste volgorde van de standen in de standenmaatschappij in Frankrijk in de 18e eeuw?

a)

1e stand adel, 2e stand geestelijkheid, 3e stand de burgers

b)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand boeren

c)

1e stand de burgers, 2e stand adel, 3e stand geestelijkheid

d)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand de burgers

15.

Welke privileges hadden de 1e en 2e stand?

a)

Zij hoefden geen belasting te betalen en alleen mensen uit de 2e stand konden hoge functies in het leger krijgen

b)

Zij hoefden niet mee te regeren in het bestuur

c)

Zij hoefden geen belasting te betalen

d)

Zij konden meebeslissen met de koning en dat mocht de 3e stand niet

16.

Welke Franse koning zie je op deze afbeelding?

a)

Lodewijk XIV

b)

Lodewijk XV

c)

Lodewijk XVI

d)

Frederick van Pruisen

17.

Waarom was het Franse volk ontevreden eind 18e eeuw? Er zijn drie antwoorden juist.

a)

Er was hongersnood door een vele mislukte oogsten

b)

De schatkist was leeg, Frankrijk was failliet

c)

Het volk wilde een grondwet

d)

Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie Antionette gaven veel geld uit en hadden een uitbundig luxe leven

18.

Verloop Franse revolutie: Welke van de onderstaande beschrijving is in de juiste volgorde vermeldt?

a)

Bijeenkomst Staten-Generaal --> mislukt --> 3e stand roept nationale vergadering uit --> beginnen met schrijven grondwet --> koning omsingeld Parijs met zijn leger --> 1789 bestorming van de Bastille --> overal in Frankrijk breken opstanden uit --> afschaffing standenmaatschappij --> verklaring van de rechten van de mens en burger --> 1791 grondwet af

b)

Bijeenkomst Staten-Generaal --> mislukt --> 1789 bestorming van de Bastille --> overal in Frankrijk breken opstanden uit --> de koning omsingeld Parijs met zijn leger --> Lodewijk XVI wordt onthoofd --> afschaffing standenmaatschappij --> 3e stand roept de nationale vergadering uit --> 1791 grondwet af

c)

Overal in Frankrijk breken opstanden uit --> de koning omsingeld Parijs --> bijeenkomst Staten-Generaal --> mislukt --> 3e stand roept nationale vergadering uit --> beginnen met schrijven grondwet --> verklaring van de rechten van de mens en burger --> afschaffing standenmaatschappij --> 1791 grondwet af

19.

Met je verstand nadenken noemen we ...

(a)  

20.

Lodewijk XIV is een verlichte koning.

a)

Juist

b)

Onjuist

21.

Welke verlichte denker bedacht god als een klokkenmaker (god maakt de mens, maar laat hem daarna met rust)

a)

Immanuel Kant

b)

John Locke

c)

Voltaire

d)

Montesquieu

22.

Verlichte denkers waren tegen slavenhandel

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Waarom werd de driemachtenleer bedacht

a)

Zodat de koning de drie machten kon uit voeren

b)

Om meer structuur aan te brengen in het regeren

c)

Zodat niet één iemand overal de macht heeft

24.

Voltaire en het denken over God

a)

na de schepping geen ingrijpen meer door God

b)

God is overal aanwezig

c)

God grijpt soms in

d)

God is overal verantwoordelijk voor

25.

Voltaire en de staat

a)

staat misbruikt het geloof om haar macht te legitimeren

b)

staat is goed voor het volk

c)

staat is door het volk aangesteld

d)

staat en kerk moet gelijk zijn

26.

Voltaire: wat is goed

a)

Deist

b)

staat wil het volk dom en volgzaam houden

c)

Voltaire vond het volk dom

d)

Voltaire stond niet achter een democratie

27.

Wat zijn oorzaken van de wetenschappelijke revolutie?

a)

Humanisme in de renaissance

b)

ontdekkingsreizen

c)

uitvinding boekdrukkunst

d)

Ontstaan van steden

e)

Investeringen van nieuwe rijken

28.

Welke nieuwe onderzoeksmethodes waren een oorzaak voor de wetenschappelijke revolutie?

a)

rationalisme

b)

empirisme

c)

optimisme

d)

methodisme

29.

Welke onderzoekers horen bij de wetenschappelijke revolutie?

a)

Newton

b)

Copernicus

c)

Montesquieu

d)

Locke

e)

Van Leeuwenhoek

30.

Wat hoort bij de Verlichting?

a)

Wetenschappelijk denken toepassen op wetenschap

b)

Wetenschappelijk denken ook toepassen op de hele samenleving

c)

Geloof in vooruitgang

d)

Optimisme

e)

Terugkijken op de tijd van de Grieken en de Romeinen

31.

Welke ideeën over godsdienst horen bij de Verlichting?

a)

Staatsgodsdienst

b)

Individualiteit

c)

Scheiding tussen kerk en staat

d)

secularisatie

e)

Geloof en rationalisme gaan niet samen

32.

het sociaal contract is het denkbeeld van welke twee filosofen?

a)

Locke

b)

Rousseau

c)

Montesquieu

d)

Smith

33.

Welke ideeën horen bij Locke?

a)

recht op leven, vrijheid en bezit

b)

Volkssoevereiniteit

c)

Koning afzetten

d)

grondwet

e)

Algemene Wil

34.

Welke ideeën horen bij Rousseau?

a)

recht op leven, vrijheid en bezit

b)

Volkssoevereiniteit

c)

Koning afzetten

d)

democratie

e)

Algemene Wil

35.

Wie hoort hierbij?

(a)  

36.

"Alles voor het volk en niks door het volk" is een uitspraak van

a)

absoluut vorsten

b)

verlicht absoluut vorsten

c)

Locke

d)

Rousseau

37.

In welke eeuw begon de Verlichting?

a)

16e eeuw

b)

17e eeuw

c)

18e eeuw

d)

19e eeuw

38.

Welk kenmerk past NIET bij de Verlichting?

a)

Geleerden gaan er vanuit dat mensen kunnen groeien en kunnen leren

b)

Geleerden vinden dat kerkleiders de mensen dom en onwetend houden

c)

Mensen volgen de adviezen op van anderen en denken niet voor zichzelf

d)

Er werden vragen gesteld over de manier waarop de samenleving werd bestuurd