Free Printable Worksheets
Font size
More settings
Hij (a) veel geld aan kleren. (Besteden)
Wij (a) naar de supermarkt. (Lopen)
Ik (a) een brief van de overheid. (Ontvangen)
Zij ... naar de supermarkt. (Rijden) (a)
Ik ... op mijn nieuwe stoel. (Wiebelen) (a)
Wij (a) veel vissen vandaag. (Vangen)
Ik (a) bang voor haaien. (zijn)
Zij (a) naar de supermarkt. (Gaan)
Hij ... een nieuwe fiets. (Hebben) (a)
Ik (a) een rondje in het midden van het schoolplein. (Draaien)
View all
10 questions
Skryfbehoeftes
Worksheet
•
2nd - 7th Grade
Ruimtefiguren
2nd Grade - University
Magister learn Check
1st Grade
Ind. praesens, imperfectum, perfectum
12 questions
IMBUHAN PINJAMAN
7th Grade - University
15 questions
Persoonsvorm TT
5th Grade
13 questions
Verwijswoorden
8th Grade
Voornaamwoorden