NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetseigen schakeling quiz NA V3
Total questions: 29
Worksheet time: 16mins
Name
Class
Date
1.
“De spanning (over de draad) en de stroomsterkte (door de draad) zijn recht evenredig. Wat wordt hier mee bedoelt?
a)
1e Wet van Newton
b)
2e Wet van Newton
c)
Wet van Ohm
d)
2e Wet van Ohm
e)
Stelling van Pythagoras
2.
Hoe bereken je de weerstand in ohm?
a)
R=l/u
b)
U=I/R
c)
R=U/I
3.
synoniem van totale weerstand
a)
vervagingsweerstand
b)
vervangingsweerstand
c)
complete weerstand
d)
Ohm
e)
weerstand
4.
Wat gebeurt er als de temperatuur stijgt van een NTC?
a)
De weerstand stijgt en de NTC gaat beter geleiden.
b)
De weerstand daalt en de NTC gaat slechter geleiden.
c)
De weerstand stijgt en de NTC gaat slechter geleiden.
d)
De weerstand daalt en de NTC gaat beter geleiden.
5.
Door een draad stroomt 10 seconden een stroom van 7 Ampère. Bereken hoeveel lading in coulomb hierdoor stroomde.
a)
70 C
b)
0,7 C
c)
7 C
d)
700 C
e)
0,07 C
6.
Er zijn 5 weerstanden van allemaal 75 ohm parallel geschakeld. Wat is de vervangingsweerstand?
a)
75 ohm
b)
50 ohm
c)
25 ohm
d)
15 ohm
e)
1 ohm
7.
Wat kan je met een elektriseermachine opwekken?
a)
Een dynamo
b)
Stroom
c)
Statische lading met een hoge spanning
d)
Ampère
e)
De totale hoeveelheid lading
8.
In parallel schakeling: R1 = 60 ohm, R2 = 185 ohm, U = 13,0 V, I tot = ?
a)
0,22 A
b)
0,07 A
c)
0,29 A
d)
0,28 A
e)
0,27 A
9.
Wat gebeurt er als je een negatieve geladen voorwerp naast een positieve geladen voorwerp zet?
a)
Ze trekken elkaar aan.
b)
Ze stoten elkaar af.
c)
De elektronen springen van de positieve geladen voorwerp naar de negatieve geladen voorwerp.
d)
De elektronen springen van de negatieve geladen voorwerp naar de positieve geladen voorwerp.
e)
Ze exploderen.
10.
Wat gebeurt er als er meer licht op een LDR valt?
a)
De weerstand neemt toe
b)
De LDR gaat dan beter geleiden en laat meer stroom door.
c)
De NTC gaat in de AAN-Stand
d)
De LDR gaat in de AAN-Stand
e)
De LDR gaat in de UIT-Stand
11.
Wat gebeurd er wanneer je 2 bollen waarvan er 1 negatief is en de ander positief geladen is verbind met een geleidende draad?
a)
Ze ontploffen
b)
Ze worden allebei negatief geladen
c)
Ze worden allebei positief geladen
d)
Ze switchen van lading dat de een van negatief naar positief gaat en de ander van positief naar negatief gaat
e)
Ze worden allebei ongeladen
12.
Wat gebeurt er als de spanning toeneemt in een lampje?
a)
Er verandert niks.
b)
Het lampje gaat minder fel branden.
c)
Het lampje gaat feller branden.
d)
Er gebeurd niets
13.
Een AAA-batterij levert 36 uur lang een stroom van 850 mA, hoeveel lading is er uit de batterij gestroomd als die leeg is?
a)
50.363 C
b)
409.220 C
c)
289.468 C
d)
110.160 C
e)
1500 C
14.
In parallel schakeling: De spanning verdeelt zich over alle componenten, de totale stroomsterkte is overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Onwaar
15.
wat is de formule voor totale stroomsterkte in een parallelschakeling
a)
Rtot=R1+R2+R3…
b)
Utot=U1=U2=U3…
c)
Itot=I1+I2+I3…
d)
Itot=I1=I2=I3…
e)
U=U1+U2+U3…
16.
Op de verpakking van een lamp staat: 0,54 V/23mA.Bereken de weerstand in kilo Ohm als het lampje op de juiste spanning brandt.
a)
0,23 kOhm
b)
0,023 kOhm
c)
2,35 kOhm
d)
0,235 kOhm
17.
Hoe heet de eenheid van lading?
a)
Ampère
b)
Ohm
c)
Ohm meter
d)
(C) C
e)
Utot (totale schakeling Volt)
18.
Hoe bereken je de totale weerstand in een serieschakeling?
a)
R(totaal) = R1 = R2 = R3 = …
b)
R(totaal) = R1 + R2 + R3 + …
c)
1/R(totaal) = 1/R1 + 1/R2 + 1/R3 + …
d)
R(totaal) = R1 - R2 - R3 - …
e)
R(totaal) = R1 • R2 • R3 • …
19.
Er loopt 10 seconden een stroom van 7 ampère door een draad. Bereken hoeveel lading in coulomb er door de draad stroomde.
a)
70 C
b)
7 C
c)
700 C
d)
0,7 C
e)
0,07 C
20.
Door wie is de wet van Ohm bedacht?
a)
Newton
b)
Hemmen
c)
Einstein
d)
Neil Armstrong
e)
Ohm
21.
Op een verpakking staat 18V/50mA. Bereken de weerstand in kilo-ohm.
a)
360 kilo-ohm
b)
3,6 kilo Ohm
c)
0,36 kilo Ohm
d)
36 kilo-ohm
22.
Waaraan kun je merken dat een dat een voorwerp elektrisch geladen is?
a)
Het wordt magnetisch
b)
Het trekt andere voorwerpen aan
c)
Het trilt
d)
Het verhit en creëert vonkjes
23.
Welke wet is dit? De spanning (over de draad) en de stroomsterkte (door de draad) zijn recht evenredig
a)
De eerste wet van Newton
b)
De tweede wet van Newton
c)
De wet van omh
d)
Geen van allemaal
e)
Wet van massa behoud
24.
De totale weerstand bereken je door: R tot = 1/R1 + 1/R2 + 1/R3 + …
a)
Waar
b)
Onwaar
25.
Welke uitspraken zijn juist: 1. Weerstand verwijst naar een component in een schakeling. 2. Weerstand verwijst naar een eenheid.
a)
Uitspraak 1 is juist
b)
Uitspraak 2 is juist
c)
Uitspraak 1 en 2 zijn juist
d)
Uitspraak 1 en 2 zijn allebei onjuist
e)
Ik heb geen idee waar het over gaat
26.
Wat gebeurt er als de transistor aan staat?
a)
Er loopt stroom van B naar E en van C naar E.
b)
Er loopt stroom van E naar B en van C naar E.
c)
Er loop stroom van B naar C en van B naar E.
27.
Als een transistor in de AAN-stand staat....
a)
Gaat er stroom van: de Basis naar de Collector naar de Emitter
b)
Gaat er stroom van: De collector naar de Emitter naar de Basis
c)
Gaat er stroom van: De Basis naar de Emitter naar de Collector
d)
Gaat er stroom van: de Emitter naar de Basis naar de Collector
e)
Gaat er stroom van: de Emitter naar de Collector naar de Basis
28.
Hoe werkt een transistor
a)
De stroom gaat van de emitter naar de collector en heeft weerstand bij de basis
b)
De stroom gaat van de basis naar de collector naar de emitter
c)
De stroom gaat van de collector naar de emitter alleen als er stroom door de basis gaat
d)
De stroom gat van de basis naar de collector alleen als er stroom door de emitter gaat
e)
De stroom gaat door de basis en wordt gesplitst tussen de emitter en de collector
29.
Welke onderdelen zijn sensor ?
a)
Elektromotor en LDR
b)
LDR en NTC
c)
LDR en zoemer
d)
NTC en ledlampje
Reset
