Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

R1+R2+R3+R4 (p.5-20)_traductions

Total questions: 113

Worksheet time: 57mins

Name
Class
Date
1.

gek zijn op, dol zijn op

(a)  

2.

helpen

(a)  

3.

houden van

(a)  

4.

aankomen

(a)  

5.

babbelen

(a)  

6.

knutselen

(a)  

7.

zingen

(a)  

8.

zoeken, halen

(a)  

9.

kosten

(a)  

10.

dansen

(a)  

11.

vragen

(a)  

12.

tekenen

(a)  

13.

verafschuwen, haten

(a)  

14.

geven

(a)  

15.

luisteren (naar)

(a)  

16.

binnenkomen

(a)  

17.

sluiten, dichtdoen

(a)  

18.

afspreken

(a)  

19.

wonen

(a)  

20.

spelen

(a)  

21.

laten

(a)  

22.

(ver)huren

(a)  

23.

instappen, naar boven gaan, naar boven brengen

(a)  

24.

tonen

(a)  

25.

praten (met/tegen)

(a)  

26.

praten (over)

(a)  

27.

doorbrengen, voorbijgaan, langskomen

(a)  

28.

denken

(a)  

29.

dragen

(a)  

30.

voorbereiden

(a)  

31.

voorstellen (iemand)

(a)  

32.

genieten (van)

(a)  

33.

vertellen

(a)  

34.

kijken (naar)

(a)  

35.

ontmoeten

(a)  

36.

voorstellen (iets)

(a)  

37.

thuiskomen, terugkeren naar huis

(a)  

38.

blijven

(a)  

39.

dromen (van/over)

(a)  

40.

zich interesseren voor

(a)  

41.

verzorgen

(a)  

42.

(aan)bellen, rinkelen

(a)  

43.

surfen

(a)  

44.

chatten

(a)  

45.

telefoneren naar

(a)  

46.

vallen

(a)  

47.

draaien

(a)  

48.

werken

(a)  

49.

bezoeken

(a)  

50.

bewegen

(a)  

51.

verbeteren

(a)  

52.

laden

(a)  

53.

uitladen

(a)  

54.

verhuizen

(a)  

55.

logeren

(a)  

56.

eten

(a)  

57.

zwemmen

(a)  

58.

duiken

(a)  

59.

opruimen

(a)  

60.

beginnen

(a)  

61.

herbeginnen

(a)  

62.

gooien

(a)  

63.

plaatsen

(a)  

64.

kopen

(a)  

65.

verkiezen

(a)  

66.

koken

(a)  

67.

combineren

(a)  

68.

tellen

(a)  

69.

verderdoen, voordoen

(a)  

70.

winnen

(a)  

71.

liegen

(a)  

72.

voelen, ruiken

(a)  

73.

(be)dienen, opdienen, serveren

(a)  

74.

uitgaan, naar buiten gaan, uitlaten

(a)  

75.

slapen

(a)  

76.

vertrekken

(a)  

77.

kiezen

(a)  

78.

(be)eindigen, afwerken, stoppen met

(a)  

79.

groeien, groot worden

(a)  

80.

verdikken

(a)  

81.

vermageren

(a)  

82.

aanbieden

(a)  

83.

reageren

(a)  

84.

nadenken (over)

(a)  

85.

(in)vullen

(a)  

86.

rood worden, blozen

(a)  

87.

oud worden

(a)  

88.

wachten (op)

(a)  

89.

uitstappen, naar beneden gaan

(a)  

90.

beantwoorden

(a)  

91.

verkopen

(a)  

92.

gaan

(a)  

93.

hebben

(a)  

94.

drinken

(a)  

95.

begrijpen

(a)  

96.

schrijven

(a)  

97.

zijn

(a)  

98.

lezen

(a)  

99.

leggen, (op)zetten, plaatsen, kledij aantrekken

(a)  

100.

kunnen, mogen

(a)  

101.

nemen

(a)  

102.

onthouden

(a)  

103.

terugkomen

(a)  

104.

(vast)houden

(a)  

105.

komen

(a)  

106.

zien

(a)  

107.

willen

(a)  

108.

leren

(a)  

109.

moeten

(a)  

110.

aanbieden

(a)  

111.

openen

(a)  

112.

toestaan

(a)  

113.

beloven

(a)