Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

R1+R2+R3+R4 (p.2-27)_conjugaison

Total questions: 86

Worksheet time: 1hrs 26mins

Name
Class
Date
1.

Ik ga hebben

(a)  

2.

zij zijn net gegaan

(a)  

3.

jij gaat vertrekken

(a)  

4.

jullie hebben nog maar pas gegeten

(a)  

5.

men gaat zwemmen

(a)  

6.

wij zijn juist gepasseerd

(a)  

7.

wij gaan spelen

(a)  

8.

zij heeft daarnet gedaan

(a)  

9.

wij gaan spelen

(a)  

10.

jij hebt zopas gehad

(a)  

11.

ik heb net genomen

(a)  

12.

zij gaan bruinen

(a)  

13.

ik heb zopas gehad

(a)  

14.

ik ga koken

(a)  

15.

hij heeft zonet gezwommen

(a)  

16.

Wij reageren

(a)  

17.

Hij wordt rood

(a)  

18.

Ik verdik

(a)  

19.

hij vult in

(a)  

20.

wij beginnen

(a)  

21.

wij eten

(a)  

22.

ze verhuizen (mannelijk)

(a)  

23.

wij gooien

(a)  

24.

wij verbeteren

(a)  

25.

hij gooit

(a)  

26.

ze beginnen (vrouwelijk)

(a)  

27.

hij ruimt op

(a)  

28.

hij vult in

(a)  

29.

ze blozen (vrouwelijk)

(a)  

30.

hij verdikt

(a)  

31.

hij verhuist

(a)  

32.

ik begin

(a)  

33.

wij gooien

(a)  

34.

ze ruimen op (mannelijk)

(a)  

35.

jullie verbeteren

(a)  

36.

hij vult in

(a)  

37.

ik wacht

(a)  

38.

jij hoort

(a)  

39.

wij geven terug

(a)  

40.

wij verliezen

(a)  

41.

de jongens stappen uit

(a)  

42.

jij hoort

(a)  

43.

hij wacht

(a)  

44.

ik trek aan

(a)  

45.

jullie maken

(a)  

46.

hij leert

(a)  

47.

wij begrijpen

(a)  

48.

de meisjes maken

(a)  

49.

jullie maken

(a)  

50.

Hij staat toe

(a)  

51.

wij beloven

(a)  

52.

ik was

(a)  

53.

hij begon

(a)  

54.

ze (v) vertrokken

(a)  

55.

hij deed

(a)  

56.

jullie zongen

(a)  

57.

hij gaf

(a)  

58.

ik hield van

(a)  

59.

jij zong

(a)  

60.

hij reageerde

(a)  

61.

wij begrepen

(a)  

62.

jullie verkochten

(a)  

63.

zij (v) gaven

(a)  

64.

wij kozen

(a)  

65.

Hij at

(a)  

66.

hij dacht na

(a)  

67.

hij heeft gezet

(a)  

68.

zij is geboren

(a)  

69.

ik woon

(a)  

70.

ik heb zonet gezocht

(a)  

71.

hij gaat uitladen

(a)  

72.

hij heeft zonet bezocht

(a)  

73.

ze (m) nemen

(a)  

74.

hij wil

(a)  

75.

zij gaat aantrekken

(a)  

76.

hij heeft gehad

(a)  

77.

ik heb genomen

(a)  

78.

Mira en Wassim zijn gevallen

(a)  

79.

zij is gekomen

(a)  

80.

hij is gebleven

(a)  

81.

hij heeft zonet ontmoet

(a)  

82.

hij gaat vertellen

(a)  

83.

ik slaap

(a)  

84.

jullie vertrekken

(a)  

85.

ik ruik

(a)  

86.

Hij heeft zonet verkocht

(a)