wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Studeren Aardrijkskunde Examen 2 juni.

Total questions: 51

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Het weer is een ............... toestand van de atmosfeer.

a)

tijdelijke

b)

vaste

2.

Het weer is een tijdelijke/vaste toestand van de atmosfeer,

op een .............................

a)

bepaalde plaats

b)

over een groot gebiede

3.

Het weer is een tijdelijke/vaste toestand van de atmosfeer,

op een bepaalde plaats/over een groot gebied en op een ..............................

a)

bepaalde moment

b)

over een lange periode

4.

De weeromstandigheden zijn ......................

a)

veranderlijk

b)

vast

5.

Het klimaat is het ...................... weer,

a)

tijdelijke

b)

gemiddelde

6.

Het klimaat is het tijdelijke/gemiddelde weer, berekend over een

......................(30 jaar) periode.

a)

korte

b)

lange

7.

De elementen van het het weer en het klimaat zijn ....................

a)

hetzelfde

b)

veranderlijk

8.

Welke zijn een element van weer en klimaat

a)

temperatuur

b)

water

c)

wind

d)

zonlicht

9.

Welke zijn elementen van klimaat

a)

grondstof

b)

bewolking

c)

neerslag

d)

luchtdruk

10.

Met wat meten we de temperatuur?

(a)  

11.

Hoe drukken we temperatuur uit?

(a)  

12.

Hoe heet de luchtlaag die omgeven is door de aarde?

(a)  

13.

Hoe meten we luchtdruk uit?

(a)  

14.

Welke van deze drie is een kwikbarometer

a)
b)
c)
15.

Welke van deze drie is een Doosbarometer.

a)
b)
c)
16.

Welke van deze drie is een Elektronische barometer

a)
b)
c)
17.

Waarvoor staat hPa?

(a)  

18.

we meten de windsnelheid met een (a)  

19.

we drukken de windsnelheid in (a)  

20.

Met wat meten we de neerslag met een regenmeter of een?

(a)  

21.

Hoe verder van de zee hoe ............................ de winter

a)

strenger

b)

zachter

22.

Hoe verder van zee hoe ......................... de zomer.

a)

frisser

b)

warmer

23.

Hoe verder van zee hoe ............ neerslag.

a)

meer

b)

minder

24.

Noteer of het gaat om een groot, matig, klein

hoogtverschil.

(a)  

25.

Is dit een zwakke, matige, steile helling.

(a)  

26.

Een landschap met kleine hoogteverschillen heeft......................reliëf.

a)

zwak

b)

sterk

27.

Een landschap met grote hoogteverschillen heeft......................reliëf.

a)

zwak

b)

sterk

28.

Kan je op een foto de hoogte aflezen?

a)

ja

b)

nee

29.

Waar kan je de hoogte opzoeken?

a)

foto

b)

atlas

c)

kaarten

d)

geopunt

30.

Hoe dichter de hoogtelijnen bij elkaar staan, hoe .................

de helling is.

a)

zwakker

b)

steiler

31.

Wat is een hoogtepunt

a)

Het diepste punt wordt weergegeven.

b)

Het exacte hoogte wordt weergegeven.

c)

De gemiddelde hoogte wordt weergegeven

32.

Heeft België hoogland

a)

ja

b)

nee

33.

Welke zijn de reliëfzonen van middelland

a)

vlakte

b)

laagvlakte

c)

gebregte

d)

hoogvlakte

34.

Welke zijn reliëfzonen in hoogland

a)

hooggebergte

b)

berg

c)

plateau

d)

hoogvlakte

35.

Er wonen minder

mensen ten zuiden van Samber en Maas omdat het reliëf daar ................. is dan ten

noorden van Samber en Maas.

a)

zwakker

b)

sterker

36.

Wat is de korrelgrootte van grind

(a)  

37.

Wat is de korrelgrootte van zand

(a)  

38.

Wat is korrelgrootte van leem

(a)  

39.

Wat is de korrelgrootte van klei

(a)  

40.

Wat voor soort bodem is dit?

Bodem die niet veel voedingsstoffen bevat om gewassen te kunnen

laten groeien.

a)

arme bodem

b)

rijke bodem

41.

Wat voor soort bodem is dit?

Bodem met veel voedingsstoffen, waar veeleisende gewassen kunnen groeien.

a)

arme bodem

b)

rijke bodem

42.

In welk deel van België vinden we de meeste hoogteverschillen

(a)  

43.

In welk deel van België vinden we de minste hoogteverschillen?

(a)  

44.

Het verval is het ..................tussen .................... en ................. van een rivier.

Schrijf wat er staat in de eerste puntjes

(a)  

45.

Het verval is het ..................tussen .................... en ................. van een rivier.

Schrijf wat er moet staan in de tweede puntjes.

(a)  

46.

Het verval is het ..................tussen .................... en ................. van een rivier.

Schrijf wat er moet zijn in de derde puntjes?

(a)  

47.

De stroomsnelheid is afhankelijk van (a)  

48.

Uitschuren en transporteren van gesteenten

( puin) noemen we (a)  

49.

Dit vindt plaats waar de rivier ....................... stroomt.

a)

traag

b)

snel

50.

Het afzetten, achterlaten van gesteente

(puin) noemen we ook (a)   ;;

51.

Om dus snel doorheen de bocht van een rivier te kajakken ga je langs de ..........................van de bocht.

a)

buitenkant

b)

binnenkant