wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HV: EL Domein Quiz

Total questions: 133

Worksheet time: 1hrs 7mins

Name
Class
Date
1.

[EL-UIR-A1-1]

Wat is de standaardeenheid van spanning?

(a)  

2.

[EL-UIR-A1-2]

Wat is het symbool voor spanning?

(a)  

3.

[EL-UIR-A1-3]

Is spanning een grootheid of een eenheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
4.

[EL-UIR-A1-4]

Waar staat V voor als eenheid?

(a)  

5.

[EL-UIR-A1-5]

Wat is het symbool voor volt?

a)
v
b)
V
c)
u
d)
U
6.

[EL-UIR-A1-6]

Waar staat U voor als grootheid?

(a)  

7.

[EL-UIR-A1-7]

Is volt een eenheid of een grootheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
8.

[EL-UIR-A1-8]

Welke grootheid heeft de eenheid volt?

(a)  

9.

[EL-UIR-A1-9]

Wat is de standaardeenheid van stroomsterkte?

(a)  

10.

[EL-UIR-A1-10]

Wat is het symbool voor stroomsterkte?

(a)  

11.

[EL-UIR-A1-11]

Is stroomsterkte een grootheid of een eenheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
12.

[EL-UIR-A1-12]

Waar staat A voor als eenheid?

(a)  

13.

[EL-UIR-A1-13]

Wat is het symbool voor ampère?

a)
A
b)
a
c)
I
d)
i
14.

[EL-UIR-A1-14]

Waar staat I voor als grootheid?

(a)  

15.

[EL-UIR-A1-15]

Is ampère een eenheid of een grootheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
16.

[EL-UIR-A1-16]

Welke grootheid heeft de eenheid ampère?

(a)  

17.

[EL-UIR-A1-17]

Wat is de standaardeenheid van weerstand?

(a)  

18.

[EL-UIR-A1-18]

Wat is het symbool voor weerstand?

(a)  

19.

[EL-UIR-A1-19]

Is weerstand een grootheid of een eenheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
20.

[EL-UIR-A1-20]

Waar staat Ω\Omega   voor als eenheid?

(a)  

21.

[EL-UIR-A1-21]

Wat is het symbool voor ohm?

a)

Ω\Omega  

b)

R

c)
O
d)
A
e)
V
22.

[EL-UIR-A1-22]

Waar staat R voor als grootheid?

(a)  

23.

[EL-UIR-A1-23]

Is ohm een eenheid of een grootheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
24.

[EL-UIR-A1-24]

Welke grootheid heeft de eenheid ohm?

(a)  

25.

[EL-PEH-A1-25]

Wat is de standaardeenheid van vermogen?

(a)  

26.

[EL-PEH-A1-26]

Wat is het symbool voor vermogen?

(a)  

27.

[EL-PEH-A1-27]

Is vermogen een grootheid of een eenheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
28.

[EL-PEH-A1-28]

Waar staat W voor als eenheid?

(a)  

29.

[EL-PEH-A1-29]

Wat is het symbool voor watt?

a)
w
b)
W
c)
p
d)
P
30.

[EL-PEH-A1-30]

Waar staat P voor als grootheid?

(a)  

31.

[EL-PEH-A1-31]

Is watt een eenheid of een grootheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
32.

[EL-PEH-A1-32]

Welke grootheid heeft de eenheid watt?

(a)  

33.

[EL-PEH-A1-33]

Wat is de standaardeenheid van energie?

(a)  

34.

[EL-PEH-A1-34]

Wat is het symbool voor energie?

(a)  

35.

[EL-PEH-A1-35]

Is energie een grootheid of een eenheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
36.

[EL-PEH-A1-36]

Waar staat J voor als eenheid?

(a)  

37.

[EL-PEH-A1-37]

Wat is het symbool voor joule?

a)
J
b)
j
c)
E
d)
e
38.

[EL-PEH-A1-38]

Waar staat E voor als grootheid?

(a)  

39.

[EL-PEH-A1-39]

Is joule een eenheid of een grootheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
40.

[EL-PEH-A1-40]

Welke grootheid heeft de eenheid joule?

(a)  

41.

[EL-UIR-A1-47]

Wat is de standaardeenheid van lading?

(a)  

42.

[EL-UIR-A1-48]

Wat is het symbool voor lading?

(a)  

43.

[EL-UIR-A1-49]

Is lading een grootheid of een eenheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
44.

[EL-UIR-A1-50]

Waar staat C voor als eenheid?

(a)  

45.

[EL-UIR-A1-51]

Wat is het symbool voor coulomb?

(a)  

46.

[EL-UIR-A1-52]

Waar staat q voor als grootheid?

(a)  

47.

[EL-UIR-A1-53]

Is coulomb een eenheid of een grootheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
48.

[EL-UIR-A1-57]

Wat is de standaardeenheid van soortelijke weerstand?

(a)  

49.

[EL-UIR-A1-58]

Wat is het symbool voor soortelijke weerstand?

a)

ρ\rho  

b)
R
c)
p
d)
S
e)

σ\sigma  

50.

[EL-UIR-A1-59]

Is soortelijke weerstand een eenheid of een grootheid?

a)
grootheid
b)
eenheid
51.

[EL-UIR-A1-60]

Waar staat ρ\rho   voor als grootheid?

a)
dichtheid
b)
soortelijke warmte
c)
soortelijke weerstand
d)
soortelijke massa
52.

[EL-UIR-A1-61]

Welke grootheid heeft de eenheid ohm meter?

(a)  

53.

[EL-UIR-A1-62]

Dit is het symbool voor een:

(a)  

54.

[EL-UIR-A1-63]

Hoe meer weerstand een elektrische component heeft, hoe __ de geleidbaarheid van de elektrische component.

a)
groter
b)
kleiner
55.

[EL-UIR-A1-64]

Wat is de standaardeenheid van geleidbaarheid?

(a)  

56.

[EL-UIR-A1-65]

Wat is het symbool voor geleidbaarheid?

a)
G
b)
g
c)
\rho
d)
R
e)
r
57.

[EL-UIR-A1-66]

Is geleidbaarheid een grootheid of een eenheid?

a)
eenheid
b)
grootheid
58.

[EL-UIR-A1-67]

Waar staat S voor als eenheid?

(a)  

59.

[EL-UIR-A1-68]

Wat is het symbool voor Siemens?

a)
S
b)
s
60.

[EL-UIR-A1-69]

Waar staat G voor als grootheid?

(a)  

61.

[EL-UIR-A1-70]

Is Siemens een eenheid of een grootheid?

(a)  

62.

[EL-UIR-A1-71]

Welke grootheid heeft de eenheid Siemens?

(a)  

63.

[EL-UIR-A2-1]

Welke grootheid bepaalt hoeveel elektrische energie elektronen bij zich hebben?

(a)  

64.

[EL-UIR-A2-2]

Welke grootheid is een maat voor hoeveel elektronen er per seconde door een draad gaan?

(a)  

65.

[EL-UIR-A2-3]

Welke grootheid beschrijft hoe goed elektronen ergens doorheen kunnen stromen?

(a)  

66.

[EL-PEH-A2-4]

Welke grootheid beschrijft hoeveel energie er per seconde opgewekt of verbruikt wordt?

(a)  

67.

[EL-PEH-A2-5]

Welke grootheid beschrijft hoeveel verandering iets aan kan richten en zit altijd ergens "in"?

(a)  

68.

[EL-UIR-A2-7]

Welke grootheid zorgt ervoor dat twee elektronen elkaar afstoten?

(a)  

69.

[EL-UIR-A2-9]

Welke grootheid beschrijft hoe goed bepaalde materialen stroom geleiden?

(a)  

70.

[EL-CV-A2-10]

Dit is het symbool voor een:

(a)  

71.

[EL-UIR-A2-11]

De hoeveelheid elektrische lading die per seconde passeert' wordt ook wel (a)   genoemd.

72.

[EL-UIR-A2-12]

Elektrische energie in een weerstand wordt omgezet in:

(a)  

73.

[EL-UIR-A2-13]

De waarde van R van een weerstand is op de weerstand zelf af te lezen aan de hand van een __ code.

a)
kleur
b)
streepjes
c)
lijntjes
d)
cijfer
74.

[EL-UIR-A2-14]

Een weerstand waarbij R constant is heet ook wel een ___ weerstand

a)
ohmse
b)
constante
c)
ideale
75.

[EL-SP-B1-1]

Deze weerstanden zijn (a)   geschakeld.

76.

[EL-UIR-B6-1]

Reken om: 400 mA = (a)   A

77.

[EL-UIR-B6-2]

Reken om: 20 mA = (a)   A

78.

[EL-UIR-B6-3]

Reken om: 30 kΩ = (a)   Ω

79.

[EL-UIR-B6-4]

Reken om: 2400 Ω = (a)  

80.

[EL-UIR-B6-5]

Reken om: 3,2 A = (a)   mA

81.

[EL-UIR-B6-6]

Reken om: 12 kV = (a)   V

82.

[EL-UIR-C1-1]

Door een weerstand van 15 Ω loopt een stroom van 2,3 A. Hoeveel lading stroomt er door de weerstand in een minuut tijd?

(a)  

83.

[EL-UIR-C1-2]

Door een weerstand van 15 Ω loopt een stroom van 2,3 A. Hoe lang duurt het voordat er 100 C door de weerstand is gelopen?

(a)  

84.

[EL-UIR-C1-3]

Een lading van 2,0 C verplaatst zich door een draadje met een weerstand van 6,0 Ω van de +pool naar de -pool van een batterij van 9,0 V. Hoeveel elektrische energie wordt hierbij omgezet?

(a)  

85.

[EL-UIR-C1-4]

Door een weerstand van 100 Ω loopt een stroom van 300 mA. Hoeveel lading stroomt er door de weerstand in twee minuten tijd?

(a)  

86.

[EL-UIR-C1-5]

Door een weerstand van 300 Ω loopt een stroom van 300 mA. Hoe lang duurt het voordat er 100 C door de weerstand is gelopen?

(a)  

87.

[EL-UIR-C1-6]

Een lading van 3,0 C verplaatst zich door een draadje met een weerstand van 7,0 Ω van de +pool naar de -pool van een batterij van 12,0 V. Hoeveel elektrische energie wordt hierbij omgezet?

(a)  

88.

[EL-UIR-C1-7]

Door een weerstand van 300 Ω loopt een stroom van 30 mA. Hoe groot is de spanning over de weerstand?

(a)  

89.

[EL-UIR-C1-8]

Door een weerstand van 400 Ω loopt een stroom van 20 mA. Hoe groot is de spanning over de weerstand?

(a)  

90.

[EL-UIR-C1-9]

Over een weerstand van 1200 Ω staat een spanning van 30 V. Hoeveel stroom loopt er door de weerstand?

(a)  

91.

[EL-UIR-C1-10]

Over een bakje met vloeistof met een geleidingsvermogen van 0,34 S wordt een spanning van 12 V gezet. Hoeveel stroom gaat er door de vloeistof lopen?

(a)  

92.

[EL-UIR-C1-11]

Over een bakje met vloeistof met een geleidingsvermogen van 0,54 S wordt een spanning van 9 V gezet. Hoeveel stroom gaat er door de vloeistof lopen?

(a)  

93.

[EL-UIR-C1-12]

Een Ohmse weerstand van 30 Ω wordt aangesloten op een batterij van 4,5 V. Hoeveel stroom gaat er lopen?

(a)  

94.

[EL-SP-C1-13]

De vervangingsweerstand van bovenstaande weerstanden is:

(a)  

95.

[EL-SP-C1-14]

De vervangingsweerstand van bovenstaande weerstand is:

(a)  

96.

[EL-SP-C1-15]

De vervangingsweerstand van bovenstaande weerstanden is:

(a)  

97.

[EL-SP-C1-16]

De vervangingsweerstand van bovenstaande weerstand is:

(a)  

98.

[EL-SP-C1-17]

De vervangingsweerstand van bovenstaande weerstanden is:

(a)  

99.

[EL-SP-C1-18]

De spanningsbron levert een spanning van 9,0 V. R1 = 100 Ω, R2 = 200 Ω, en R3 = 150 Ω. De stroomsterkte door R2 is:

(a)  

100.

[EL-SP-C1-19]

De spanningsbron levert een spanning van 9,0 V. R1 = 400 Ω, R2 = 300 Ω, en R3 = 100 Ω. De stroomsterkte door R2 is:

(a)  

101.

[EL-SP-C1-20]

De spanningsbron levert een spanning van 9,0 V. R1 = 100 Ω, R2 = 200 Ω, en R3 = 150 Ω. De spanning over R2 is:

(a)  

102.

[EL-SP-C1-21]

De spanningsbron levert een spanning van 9,0 V. R1 = 400 Ω, R2 = 300 Ω, en R3 = 100 Ω. De spanning over R2 is:

(a)  

103.

[EL-SP-D1-1]

Wat geldt voor de stroom in deze schakeling?

a)

IL1=IL2=ItotI_{L1}=I_{L2}=I_{tot}  

b)

IL1+IL2=ItotI_{L1}+I_{L2}=I_{tot}  

c)

UL1=UL2=UbronU_{L1}=U_{L2}=U_{bron}  

d)

UL1+UL2=UbronU_{L1}+U_{L2}=U_{bron}  

104.

[EL-SP-D1-2]

Wat geldt voor de spanning in deze schakeling?

a)

IL1=IL2=ItotI_{L1}=I_{L2}=I_{tot}  

b)

IL1+IL2=ItotI_{L1}+I_{L2}=I_{tot}  

c)

UL1=UL2=UbronU_{L1}=U_{L2}=U_{bron}  

d)

UL1+UL2=UbronU_{L1}+U_{L2}=U_{bron}  

105.

[EL-SP-D1-3]

Wat geldt voor de stroom in deze schakeling?

a)

I1=I2=I3=ItotI_1=I_2=I_3=I_{tot}  

b)

I1+I2+I3=ItotI_1+I_2+I_3=I_{tot}  

c)

U1=U2=U3=UbronU_1=U_2=U_3=U_{bron}  

d)

U1+U2+U3=UbronU_1+U_2+U_3=U_{bron}  

106.

[EL-SP-D1-4]

Wat geldt voor de spanning in deze schakeling?

a)

I1=I2=I3=ItotI_1=I_2=I_3=I_{tot}  

b)

I1+I2+I3=ItotI_1+I_2+I_3=I_{tot}  

c)

U1=U2=U3=UbronU_1=U_2=U_3=U_{bron}  

d)

U1+U2+U3=UbronU_1+U_2+U_3=U_{bron}  

107.

[EL-SP-D1-5]

Wanneer één van de lampjes doorbrandt, zal het andere lampje:

a)
even fel blijven branden
b)
uit gaan
c)
feller gaan branden
108.

[EL-SP-D1-6]

Wanneer één van de lampjes doorbrandt, zal het andere lampje:

a)
even fel blijven branden
b)
uit gaan
c)
feller gaan branden
109.

[EL-PEH-D1-7]

Wanneer de spanning over een weerstand toeneemt, zal de hoeveelheid warmte die per seconde vrijkomt in de weerstand:

a)
toenemen
b)
afnemen
c)
gelijk blijven
d)
niet éénduidig te bepalen
110.

[EL-UIR-D1-8]

Wanneer de weerstand van de weerstand afneemt en de spanning die de spanningsbron levert gelijk blijft, zal de stroom door de weerstand:

a)
toenemen
b)
afnemen
c)
gelijk blijven
d)
niet éénduidig te bepalen
111.

[EL-UIR-D1-9]

Wanneer de weerstand van de weerstand toeneemt en de spanning die de spanningsbron levert gelijk blijft, zal de stroom door de weerstand:

a)
toenemen
b)
afnemen
c)
gelijk blijven
d)
niet éénduidig te bepalen
112.

[EL-UIR-D1-10]

Wanneer de weerstand van de weerstand gelijk blijft en de spanning die de spanningsbron levert toeneemt, zal de stroom door de weerstand:

a)
toenemen
b)
afnemen
c)
gelijk blijven
d)
niet éénduidig te bepalen
113.

[EL-UIR-D1-11]

Wanneer de weerstand van de weerstand gelijk blijft en de spanning die de spanningsbron levert afneemt, zal de stroom door de weerstand:

a)
toenemen
b)
afnemen
c)
gelijk blijven
d)
niet éénduidig te bepalen
114.

[EL-UIR-D1-12]

Wanneer de weerstand van de weerstand groter wordt en de spanning die de spanningsbron levert afneemt, zal de stroom door de weerstand:

a)
toenemen
b)
afnemen
c)
gelijk blijven
d)
niet éénduidig te bepalen
115.

[EL-UIR-D1-13]

Wanneer de weerstand van de weerstand kleiner wordt en de spanning die de spanningsbron levert afneemt, zal de stroom door de weerstand:

a)
toenemen
b)
afnemen
c)
gelijk blijven
d)
niet éénduidig te bepalen
116.

[EL-UIR-D1-14]

Bij een constante weerstand zijn stroom en spanning:

a)
rechtevenredig
b)
omgekeerd evenredig
c)
kwadratisch evenredig
117.

[EL-CV-A2-15]

Hoeveel aansluitpunten heeft een schuifweerstand?

a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
118.

[EL-UIR-A3-1]

De weerstand van een draad hangt af van:

a)
de lengte van de draad
b)
de diameter van de draad
c)
de doorsnede van de draad
d)
het materiaal waarvan de draad gemaakt is
119.

[EL-UIR-B4-1]

Als je U=IRU=I\cdot R   omschrijft naar I=... , dan krijg je:

a)

I=URI=\frac{U}{R}  

b)

I=RUI=\frac{R}{U}  

c)

I=URI=U\cdot R  

120.

[EL-UIR-B4-2]

Als je U=IRU=I\cdot R   omschrijft naar R=... , dan krijg je:

a)

R=UIR=\frac{U}{I}  

b)

R=IUR=\frac{I}{U}  

c)

R=UIR=U\cdot I  

121.

[EL-UIR-B4-3]

Als je ρ=RAl\rho=\frac{R\cdot A}{l}   omschrijft naar R=... , dan krijg je:

a)

R=ρlAR=\frac{\rho\cdot l}{A}  

b)

R=ρAlR=\frac{\rho\cdot A}{l}  

c)

R=AρlR=\frac{A}{\rho\cdot l}  

d)

R=lρAR=\frac{l}{\rho\cdot A}  

122.

[EL-UIR-B4-4]

Als je ρ=RAl\rho=\frac{R\cdot A}{l}   omschrijft naar A=... , dan krijg je:

a)

A=ρlRA=\frac{\rho\cdot l}{R}  

b)

A=ρRlA=\frac{\rho\cdot R}{l}  

c)

A=ρRlA=\frac{\rho}{R\cdot l}  

d)

A=lRρA=\frac{l}{R\cdot\rho}  

123.

[EL-PEH-B4-5]

Als je P=UIP=U\cdot I   omschrijft naar U=... , dan krijg je:

a)

U=PIU=\frac{P}{I}  

b)

U=IPU=\frac{I}{P}  

c)

U=IPU=I\cdot P  

124.

[EL-PEH-B4-6]

Als je P=UIP=U\cdot I  omschrijft naar I=... , dan krijg je:

a)

I=PUI=\frac{P}{U}  

b)

I=UPI=\frac{U}{P}  

c)

I=UPI=U\cdot P  

125.

[EL-PEH-B5-1]

Selecteer de juiste formule(s):

a)

P=UIP=U\cdot I  

b)

P=I2RP=I^2\cdot R  

c)

P=UIP=\frac{U}{I}  

d)

P=U2RP=\frac{U^2}{R}  

e)

P=IUP=\frac{I}{U}  

126.

[EL-UIR-C1-22]

Een metaaldraad met een lengte van 80 cm en een diameter van 2,19 mm heeft een weerstand van 29,7 mΩ. Van welk metaal is de draad gemaakt?

(a)  

127.

[EL-UIR-C1-23]

Een metaaldraad met een lengte van 50 cm en een diameter van 4,1 mm heeft een weerstand van 2,35 mΩ. Van welk metaal is de draad gemaakt?

(a)  

128.

[EL-UIR-C1-24]

Een metaaldraad met een lengte van 150 cm en een diameter van 1,2 mm heeft een weerstand van 35,8 mΩ. Van welk metaal is de draad gemaakt?

(a)  

129.

[EL-UIR-C1-25]

Een draad gemaakt van roestvrij staal met een lengte van 125 cm en een diameter van 3,5 cm, heeft een weerstand van:

(a)  

130.

[EL-UIR-C1-26]

Een draad gemaakt van koper met een lengte van 210 cm en een diameter van 1,3 mm, heeft een weerstand van:

(a)  

131.

[EL-UIR-C1-27]

Een draad gemaakt van constantaan met een lengte van 10 cm en een diameter van 0,8 mm, heeft een weerstand van:

(a)  

132.

[EL-CV-C1-28]

Een schuifweerstand van 200 Ω wordt gebruikt als variable weerstand door het schuifcontact en één van de aansluitingen aan te sluiten. Om hem in te stellen op 50 Ω moet de schuif op (a)   % van de lengte (gerekend vanaf de aangesloten kant ) staan.

133.

[EL-UIR-D1-17]

Als de diameter van een draad twee keer zo groot wordt, wordt de weerstand:

a)
4 keer zo klein
b)
4 keer zo groot
c)
2 keer zo klein
d)
2 keer zo groot