Font size
Worksheetsduits - mh2 - kap8 - proeftoets
Total questions: 149
Worksheet time: 1hrs 15mins
ND=> de laars
(a)
ND=> de ring
(a)
ND=> de rok
(a)
ND=> de schoen
(a)
ND=> de trui
(a)
ND=> de blouse
(a)
ND=> de bril
(a)
ND=> de broek
(a)
ND=> de capuchon
(a)
ND=> het jack, vest
(a)
ND=> het kapsel
(a)
ND=> de ketting
(a)
ND=> de muts, pet
(a)
ND=> de hoofddoek
(a)
ND=> de jurk
(a)
ND=> het oog
(a)
ND=> het T-shirt
(a)
ND=> het uiterlijk
(a)
ND=> het haar
(a)
ND=> de oorbellen
(a)
ND=> de sokken
(a)
ND=> de spijkerbroek
(a)
ND=> aan hebben
(a)
ND=> dragen
(a)
ND=> eruitzien
(a)
ND=> kunnen
(a)
ND=> moeten
(a)
ND=> leuk vinden, lusten
(a)
ND=> mogen
(a)
ND=> staan
(a)
ND=> weten
(a)
ND=> willen
(a)
ND=> willen (wens)
(a)
ND=> beter
(a)
ND=> blond
(a)
ND=> gekleurd
(a)
ND=> gestreept
(a)
ND=> grappig
(a)
ND=> nieuw
(a)
ND=> sportief
(a)
ND=> bruin
(a)
ND=> grijs
(a)
ND=> groen
(a)
ND=> oranje
(a)
ND=> paars
(a)
ND=> aardig
(a)
ND=> groot
(a)
ND=> jong
(a)
ND=> klein
(a)
ND=> mooi
(a)
ND=> mooi, knap
(a)
ND=> heel erg
(a)
ND=> niet
(a)
ND=> de laarzen
(a)
ND=> de ringen
(a)
ND=> de rokken
(a)
ND=> de schoenen
(a)
ND=> de truien
(a)
ND=> de blouses
(a)
ND=> de brillen
(a)
ND=> de broeken
(a)
ND=> de jacks, de vesten
(a)
ND=> de kettingen
(a)
ND=> de mutsen, de petten
(a)
ND=> de hoofddoeken
(a)
ND=> de jurken
(a)
ND=> de ogen
(a)
ND=> de T-shirts
(a)
ND=> gedragen
(a)
ND=> eruitgezien
(a)
ND=> gestaan
(a)
DN=> beliebt : Diese Kleider sind sehr beliebt.
(a)
DN=> in der Nähe : Suse kommt aus einer kleinen Stadt in der Nähe von Frankfurt.
(a)
DN=> fast : Suses Geschäft gibt es schon fast neun Jahre.
(a)
DN=> kompliziert : Die Produktion der Kleidungsstücke ist kompliziert.
(a)
DN=> basteln : Menschen, die sich für Mode interessieren, fangen meist selbst an zu basteln
(a)
DN=> das Praktikum : Man kann bei Suse ein Praktikum machen.
(a)
DN=> trennen : Was passiert, wenn wir Stimme und Person trennen?
(a)
DN=> vielleicht : Vielleicht trägt er eine Jacke.
(a)
DN=> das Ergebnis : Hier ist das Ergebnis von Runde eins.
(a)
DN=> sogar : Seine Stimme verriet sogar seine Persönlichkeit.
(a)
DN=> behaupten : Meine Freunde behaupten, dass ich strukturiert bin.
(a)
DN=> die Zukunft : In Zukunft könnten Klamotten auf Hitze reagieren.
(a)
DN=> die Klamotten : Manche Designer kombinieren Klamotten mit Technik.
(a)
DN=> der Körper : Der Körper kann so besser abkühlen.
(a)
DN=> das Handy : Man kann mit der Jacke sein Handy steuern.
(a)
DN=> der Ärmel : Die Bedienung des Handys ist im Ärmel der Jacke.
(a)
DN=> manche : Manche Designer kombinieren Kleidung mit Technik.
(a)
DN=> die Farbe : Manche Stoffe verändern ihre Farbe.
(a)
DN=> der Frühling : Ich bin im Frühling geboren.
(a)
DN=> dauern : Die Fastnacht dauert sechs Tage.
(a)
DN=> zeigen : Damit zeigen die Frauen, dass sie das Sagen haben.
(a)
DN=> der Grund : Sie verkleiden sich aus gutem Grund.
(a)
GR=> ik kan
(a)
GR=> jij kunt
(a)
GR=> wij kunnen
(a)
GR=> jullie kunnen
(a)
GR=> ik houd van
(a)
GR=> jij lust
(a)
GR=> wij vinden mooi
(a)
GR=> jullie vinden aardig
(a)
GR=> ik mag
(a)
GR=> jij mag
(a)
GR=> wij mogen
(a)
GR=> jullie mogen
(a)
GR=> ik moet
(a)
GR=> jij moet
(a)
GR=> wij moeten
(a)
GR=> jullie moeten
(a)
GR=> ik moet (van iemand anders)
(a)
GR=> jij moet (van iemand anders)
(a)
GR=> wij moeten (van iemand anders)
(a)
GR=> jullie moeten (van iemand anders)
(a)
GR=> ik wil
(a)
GR=> jij wilt
(a)
GR=> wij willen
(a)
GR=> jullie willen
(a)
GR=> ik weet
(a)
GR=> jij weet
(a)
GR=> wij weten
(a)
GR=> jullie weten
(a)
GR=> ik wil graag
(a)
GR=> jij wilt graag
(a)
GR=> wij willen graag
(a)
GR=> jullie willen graag
(a)
GR=> hij kan
(a)
GR=> zij kunnen
(a)
GR=> hij houdt van
(a)
GR=> zij lusten
(a)
GR=> hij mag
(a)
GR=> zij mogen
(a)
GR=> hij moet
(a)
GR=> zij moeten
(a)
GR=> hij moet (van iemand anders)
(a)
GR=> zij moeten (van iemand anders)
(a)
GR=> hij wil
(a)
GR=> zij willen
(a)
GR=> hij weet
(a)
GR=> zij weten
(a)
GR=> hij wil graag
(a)
GR=> zij willen graag
(a)
GR=> U kunt
(a)
GR=> U lust
(a)
GR=> U mag
(a)
GR=> U moet
(a)
GR=> U moet (van iemand anders)
(a)
GR=> U wilt
(a)
GR=> U weet
(a)
GR=> U wilt graag
(a)
