wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VWO 4 levensloop

Total questions: 17

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Twee stellingen:

I. Schoon drinkwater is in Nederland een vrij goed.

II. Schaarse goederen hebben een hoge prijs.

Welke stelling(en) is/zijn juist?

a)

 beide stellingen zijn juist.

b)

alleen stelling I is juist

c)

alleen stelling II is juist.

d)

beide stellingen zijn onjuist.

2.

Iris krijgt wekelijks € 15 zakgeld. Ze gebruikt dit alleen en volledig voor versnaperingen, die gemiddeld € 0,60 kosten.

De prijzen van versnaperingen stijgen met 10% en het zakgeld van Iris wordt verhoogd met € 1.

Twee beweringen over de veranderingen.

I. Het budget is nominaal gestegen.

II. De koopkracht van Iris is gestegen.

Welke bewering(en) is/zijn juist?

a)

Beide zijn goed

b)

I is goed en II is fout

c)

I is fout en II is goed

d)

Beide zijn fout

3.

Als iemand gebruik maakt/voordeel heeft van de inspanningen van een ander spreken we van(aan elkaar vast schrijven)

(a)  

4.

Welke keuze Frans ook maakt en Nico is altijd beter af met een bepaalde keuze noemen we (aan elkaar vast)

(a)  

5.

In een land wonen 16 miljoen mensen. Ze zijn verplicht verzekerd tegen ziektekosten. Er worden € 20 miljard aan ziektekosten verwacht; daarnaast zijn er aan bijkomende kosten 10% van de te verwachten ziektekosten.

Alle mensen betalen dezelfde premie.Omdat verzekerden toch verzekerd zijn, vertonen ze bepaald gedrag; dit noemen we:

a)

asymmetrische informatie  

b)

averechtse selectie  

c)

 risico-aversie  

d)

moral hazard (moreel wangedrag)

6.

Twee beweringen over eigen risico bij de verplichte basisverzekering.

I. Eigen risico ondersteunt het draagkrachtbeginsel bij de basisverzekering.

II. Eigen risico remt  moral hazard (moreel wangedrag)  van verzekerden.

Welke bewering is goed of fout?

a)

Beide zijn goed  

b)

I is goed en II is fout

c)

I is fout en II is goed  

d)

Beide zijn fout

7.

Twee beweringen.

I. In een principaal-agentrelatie heeft de principaal meer informatie dan de agent. II. Een mogelijke oplossing voor het principaal-agent probleem is een variabele beloning voor de agent.

a)

 Beide zijn goed.

b)

I is goed en II is fout.

c)

I is fout en II is goed.

d)

beide fout

8.

Twee beweringen over de inkomensverdeling.

I. Als van vier personen met een verschillend inkomen alleen de laagste inkomens belasting betalen is er sprake van nivellering.

II. Bij nivellering kijken we naar de relatieve verschillen.

Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed  

b)

I is goed en II is fout

c)

I is fout en II is goed  

d)

Beide fout

9.

Twee beweringen over de lorenzcurve en de 80/20-ratio.

I. De 80/20-ratio geeft een beeld van de rechtvaardigheid van de inkomensverdeling.

II. Hoe ongelijker de inkomensverdeling na belastingbetaling, hoe dichter bij de diagonaal.

Welke bewering(en) is/zijn goed?

 

a)

Beide zijn goed

b)

I is goed en II is fout

c)

I is fout en II is goed

d)

Beide fout

10.

Welk antwoord is juist? Primaire inkomens zijn:

a)

 loon, huur en WW-uitkering. 

b)

winst, rente en huur.

c)

Wlz-uitkering, AOW-uitkering en WW-uitkering. 

d)

AOW-uitkering, pacht en loon.

11.

Wanneer elke Nederlander € 1.000 netto inkomensverhoging zou krijgen, is dat ....

 

a)

inkomensnivellering

b)

inkomensdenivellering

c)

 noch nivellering, noch denivellering

12.

Twee beweringen over stroom- en voorraadgrootheden.

I. Belasting die je betaalt over je inkomen is een stroomgrootheid.

II. De belastingschuld van Bart is een voorraadgrootheid.

Welke bewering(en) is/zijn goed

a)

Beide zijn goed

b)

 I is goed en II is fout

c)

I is fout en II is goed

d)

Beide zijn fout

13.

Op 1-1-2019 heeft Jos Peeters € 10.000 belegd in 3,5%-staatsobligaties met een looptijd van 10 jaar; de inflatie over 2019 bedraagt 2%.

De reële rente over 2019 bedraagt ..I.., terwijl de nominale rente ...II... bedraagt.

a)

I = 3,5%; II = 1,5% 

b)

I = 3,5%; II = 1,47%

c)

 I = 1,5%; II = 3,5% 

d)

I = 1,47%; II = 3,5%

14.

Twee beweringen.

I. Om zijn inflatierisico te beperken zal een risico-averse belegger eerder kiezen voor obligaties dan voor aandelen.

II. Een afname van de tijdsvoorkeur gaat gepaard met een dalende rente.

a)

Beide zijn goed

b)

I is goed en II is fout

c)

I is fout en II is goed

d)

Beide fout

15.

De koopkracht van het inkomen heet ook wel het (a)   inkomen.

16.

Twee beweringen over de pensioenvoorziening.

I. Bij het kapitaaldekkingsstelsel vormen inflatie en tegenvallende beleggingsresultaten een risico.

II. Bij de AOW vormen inflatie en vergrijzing een risico.

Welke bewering is goed of fout?

a)

Beide zijn goed

b)

I is goed en II is fout

c)

I is fout en II is goed

d)

Beide fout

17.

Als een uitkering meestijgt met de gemiddelde loonontwikkeling in de cao's, noemen we zo'n uitkering ........... .

a)

waardevast. 

b)

welvaartsvast.

c)

koppelingsvast. 

d)

pensioenvast.