wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

scheidbare werkwoorden

Total questions: 12

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Ik wil graag stage lopen in een bibliotheek om ervaring (opdoen).

a)

opdoen

b)

op te doen

c)

te opdoen

2.

Vergeet niet je muts (opzetten). Het vriest buiten.

a)

op te zetten

b)

zet op

c)

te opzet

3.

Het is niet (toestaan) hier te parkeren.

a)

staan toe

b)

toestaat

c)

toegestaan

4.

Jasper (opstaan) vandaag vroeg want hij moet examen doen.

a)

staat .... op

b)

opstaat

c)

opstaan

5.

Je moet de telefoon (opnemen) als iemand je (opbellen).

a)

neemt op, belt op

b)

opnemen, opbelt

6.

Maria (meenemen) haar telefoon nooit als ze gaat zwemmen.

a)

neemt ...... mee

b)

meenemen

7.

De docent legt de grammatica .....

a)

af

b)

uit

c)

op

8.

Kirsten de straat (oversteken)

a)

Kirsten steekt de straat over.

b)

Kirsten oversteekt de straat.

9.

Ik raak nooit de weg kwijt omdat ik een altijd een kaart (meenemen).

a)

Ik raak nooit de weg kwijt omdat ik altijd een kaart meeneem.

b)

Ik raak nooit de weg kwijt omdat altijd ik een kaart neem mee

10.

Patricia samenwonen met haar man en kinderen.

a)

Patricia woont samen met haar man en kinderen

b)

Patricia samenwoont met haar man en kinderen

c)

Patricia woont met haar man en kinderen samen.

11.

Gisteren ik Peter in de supermarkt tegenkomen.

a)

Gisteren kwam ik Peter tegen in de supermarkt.

b)

Gisteren heb ik Peter tegengekomt in de supermarkt

c)

Gisteren kwam ik Peter in de supermarkt tegen.

12.

We met opdracht 4 (verdergaan).

a)

We zijn verdergegaan met opdracht 4.

b)

We hebben met op dracht 4 verdergaan.

c)

We zijn met opdracht 4 verdergegaan.