Font size
Worksheetsscheidbare werkwoorden
Total questions: 12
Worksheet time: 7mins
Ik wil graag stage lopen in een bibliotheek om ervaring (opdoen).
opdoen
op te doen
te opdoen
Vergeet niet je muts (opzetten). Het vriest buiten.
op te zetten
zet op
te opzet
Het is niet (toestaan) hier te parkeren.
staan toe
toestaat
toegestaan
Jasper (opstaan) vandaag vroeg want hij moet examen doen.
staat .... op
opstaat
opstaan
Je moet de telefoon (opnemen) als iemand je (opbellen).
neemt op, belt op
opnemen, opbelt
Maria (meenemen) haar telefoon nooit als ze gaat zwemmen.
neemt ...... mee
meenemen
De docent legt de grammatica .....
af
uit
op
Kirsten de straat (oversteken)
Kirsten steekt de straat over.
Kirsten oversteekt de straat.
Ik raak nooit de weg kwijt omdat ik een altijd een kaart (meenemen).
Ik raak nooit de weg kwijt omdat ik altijd een kaart meeneem.
Ik raak nooit de weg kwijt omdat altijd ik een kaart neem mee
Patricia samenwonen met haar man en kinderen.
Patricia woont samen met haar man en kinderen
Patricia samenwoont met haar man en kinderen
Patricia woont met haar man en kinderen samen.
Gisteren ik Peter in de supermarkt tegenkomen.
Gisteren kwam ik Peter tegen in de supermarkt.
Gisteren heb ik Peter tegengekomt in de supermarkt
Gisteren kwam ik Peter in de supermarkt tegen.
We met opdracht 4 (verdergaan).
We zijn verdergegaan met opdracht 4.
We hebben met op dracht 4 verdergaan.
We zijn met opdracht 4 verdergegaan.
