Font size
Worksheetsklas 3 keuzevoorzetsels (vervolg)
Total questions: 20
Worksheet time: 37mins
Seite 157 keuzevoorzetsels: wat betekenen deze woorden in het Nederlands?
auf, hinter, neben, unter, zwischen
(volgorde aanhouden, gescheiden door komma spatie)
(a)
Seite 157 keuzevoorzetsels: wat betekent dit woord in het Nederlands?
in
(er zijn meerdere vertalingen)
(a)
Seite 157 keuzevoorzetsels: wat betekent dit woord in het Nederlands?
an
(er zijn meerdere vertalingen)
(a)
Seite 157 keuzevoorzetsels: wat betekent dit woord in het Nederlands?
über
(er zijn meerdere vertalingen)
(a)
Seite 157 keuzevoorzetsels: wat betekent dit woord in het Nederlands?
vor
(er zijn meerdere vertalingen)
(a)
Bij een keuzevoorzetsel + tijdsbepaling kies je de (a) naamval
Het keuzevoorzetsel met de derde naamval drukt uit: (a)
(goed antwoord bestaat uit 1 zelfstandig naamwoord)
Het keuzevoorzetsel met de 4e naamval drukt uit: (a)
(het goede antwoor bestaat uit 1 zelfstandig naamwoord)
Welke naamval krijgen legen, stellen, setzen plus keuzevoorzetsel?
(a)
Welke naamval krijgen liegen, stehen, sitzen plus keuzevoorzetsel?
(a)
Wo ist der Junge? Antwoord in een hele zin in de tegenwoordige tijd. Let op de vervoeging van sein.
(der Junge - sein - in - die Box)
(a)
Was macht der Mann? Antwoord in een hele zin in de tegenwoordige tijd. Let op de feesttenten.
(der Mann - laufen - über - das Auto)
(a)
Das Auto fährt auf die Autobahn.
Waarmee heb je het hier te maken?
Kies twee antwoorden.
3e naamval
4e naamval
verplaatsing
stilstand
Das Auto fährt auf der Autobahn.
Waarmee heb je het hier te maken?
Kies twee antwoorden.
3e naamval
4e naamval
verplaatsing
stilstand
Montag bis Freitag gehe ich in d (a) Schule (v).
Am Sonntag liege ich zu Hause in m (a) Bett (o)
Was macht der Mann? Antwoord in een hele zin in de tegenwoordige tijd. Let op de feesttenten
(der Mann - stellen - die Tasche - hinter - die Tür)
(a)
Vul het naamvallenschema in
die
das
der
dem
den
mv
4e nv
3e nv
v
o
Kijk in je klaslokaal rond en schrijf een goede zin in het Duits met het keuzevoorzetsel 'auf". Begin met Der/Die of Das .....
Denk aan een persoon / voorwerp die/dat ergens zit, staat, ligt, loopt etc.
Die Frau hängt die Wäsche an (a) und dann hängt die Wäsche an (b)
