wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lowan herhaling 1

Total questions: 46

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Dit is

a)

scheiden

b)

de begrafenis

c)

trouwen

d)

de geboorte

2.

Dit zijn

a)

de baby 's

b)

de volwassenen

c)

de vriendinnen

d)

de peuters

3.

Wat zie je hier?

a)

Het oor

b)

De neus

c)

Het oog

d)

Het gezicht

4.

Wat zijn dit?

a)

Dit zijn de pollen

b)

Dit zijn de ballen

c)

Dit zijn de lippen

d)

Dit zijn de pillen

5.

Wat zie je?

a)

ogen, wimpers en schouders

b)

neuzen, ogen en wimpers

c)

ogen, armen en oren

d)

ogen, wimpers en wenkbrauwen

6.

Ik zit ... de stoel

a)

tussen

b)

op

c)

in

d)

onder

7.

Jan heeft een glas. Het is ... glas.

a)

jouw

b)

hun

c)

zijn

d)

mijn

8.

Zij hebben een boek. Het is ... boek.

a)

hun

b)

haar

c)

mijn

d)

jullie

9.

Hij ... jarig.

a)

ben

b)

zijn

c)

is

d)

bent

10.

Wat zie je hier?

a)

De leerling

b)

De buurvrouw

c)

Het gezin

d)

De vader

11.

Wat zie je hier?

a)

De buren

b)

De mannen

c)

De kinderen

d)

De kleuters

12.

Wat is goed? 1 peuter, twee ...?

a)

Peuteren

b)

Peuter

c)

Peuters

13.

De moeder is ouder dan?

a)

De opa

b)

De baby

c)

De man

d)

De collega

14.

Wie zijn er getrouwd?

a)

De man en de opa

b)

De man en de oma

c)

De man en de vrouw

d)

De man en de baby

15.

Dit is ...

a)

de begrafenis

b)

de peuter

c)

samenwonen

d)

de verjaardag

16.

Mirjam is 50, Sarah is 35 en Laura is 4. Wie is niet de moeder?

a)

Mirjam

b)

Sarah

c)

Laura

17.

Bert en Ernie ... goede vrienden (zijn)

a)

is

b)

ben

c)

zijn

d)

bent

18.

De neus zit ... de mond

a)

onder

b)

naast

c)

boven

d)

tussen

19.

De vader staat ... de moeder

a)

in

b)

naast

c)

tussen

d)

onder

20.

Op school ... jij veel! (leren)

a)

leer

b)

leren

c)

leert

21.

Het boek ... ... de kast.

a)

zegt bij

b)

luistert boven

c)

leert tussen

d)

ligt op

22.

Wij .. tot vier. (tellen)

a)

telt

b)

tellen

c)

tel

23.

Wie zit niet op de school?

a)

De baby

b)

De jongen

c)

Het meisje

d)

De leerling

24.

Praten doe je met je?

a)

ogen

b)

tanden

c)

duim

d)

mond

25.

Wie is volwassen?

a)

Het kind

b)

De man

c)

De baby

d)

De peuter

26.

Hij ... drie vrienden (hebben)

a)

hebt

b)

heeft

c)

heft

d)

heebt

27.

Daan is jarig. Hij heeft een ...

a)

bruiloft

b)

verjaardag

c)

verliefd

d)

geboorte

28.

Wie zie je hier?

a)

De pubers

b)

De baby's

c)

De peuters

d)

De kleuters

29.

slapen I wij I thuis

(a)  

30.

De trap gaat naar?

(a)  

31.

Op school zitten?

a)

leerlingen

b)

opa's

c)

oma's

d)

baby's

32.

Jan en Piet zijn?

a)

vrouwen

b)

vrienden

c)

kinderen

d)

grootouders

33.

Ik ... op de stoel. (zitten)

(a)  

34.

Hij ... na. (denken)

(a)  

35.

Jij ... koning Alexander. (heten)

(a)  

36.

Wij ... de stickers. (plakken)

(a)  

37.

Ik heb een auto. Dit is ... auto.

(a)  

38.

Jullie ... op vakantie. (gaan)

(a)  

39.

Hij ... het schilderij. (hangen)

(a)  

40.

Wat doet hij?

(a)  

41.

20 is ...

(a)  

42.

13 is ...

(a)  

43.

tweeëntwintig min tien is?

(a)  

44.

Ik woon niet samen. Ik ben ...

(a)  

45.

Jullie ... naar jullie ouders. (luisteren)

a)

luister

b)

luistert

c)

luisteren

46.
a)
week
b)
waak
c)
wiek
d)
werk