Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling Nederlands 1A juni

Total questions: 45

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Welk zinsdeel vind je door volgende vraag: 'Wie/wat + WWG + O?'

a)

NWD

b)

LV

c)

MV

d)

adpv

2.

Bij welk zinsdeel kan je 'aan' of 'voor' toevoegen of weglaten?

a)

MV

b)

O

c)

pv

d)

LV

3.

Ina geeft de bloemetjes water.' Welke functie heeft 'de bloemetjes'?

a)

O

b)

MV

c)

LV

d)

NWD

4.

Hij schijnt slim te zijn. Welke functie heeft 'slim'?

a)

adpv

b)

LV

c)

NWD

d)

MV

5.

Waarmee kan een lijdend voorwerp nooit beginnen?

a)

lidwoord

b)

zeflstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

bijvoeglijk naamwoord

6.

Wat is het WWG in deze zin? 'Ik mag nooit op de tablet spelletjes spelen!'

(a)  

7.

Welk zinsdeel komt nooit voor in een zin met een NWG?

a)

PV

b)

LV

c)

VD

d)

O

8.

Tijdens deze les herhalen we de leerstof over de zinsontleding. Wat is 'we'?

a)

O

b)

LV

c)

MV

d)

NWD

9.

Tijdens deze les herhalen we de leerstof over zinsontleding.' In deze zin staat een:

a)

WWG: PV + VD

b)

WWG: PV

c)

WWG: INF

d)

NWG: PV

10.

Straks moet iedereen alle delen van een zin herkennen. Wat is 'straks'?

a)

O

b)

LV

c)

MV

d)

BWB

11.

Straks moet iedereen alle delen van een zin herkennen. Wat is 'alle delen van een zin'?

a)

O

b)

LV

c)

MV

d)

NWD

12.

Waarom laat u ons stoppen? Welk zinsdeel is 'ons'?

a)

O

b)

LV

c)

MV

d)

NWD

13.

Gelukkig is dit eenvoudig. Welk zinsdeel is 'eenvoudig'?

a)

O

b)

LV

c)

MV

d)

NWD

14.

Heb je het al begrepen? Wat is 'begrepen'?

(a)  

15.

Schrijf alle BWB's over: Vorige week bakte ik een cake voor mijn vader.

(a)  

16.

Duid mogelijke signaalwoorden aan voor het opsommend tekstverband

a)

bovendien

b)

plus

c)

verder

d)

later

e)

ook

17.

Welk tekstverband plaatst gebeurtenissen in de volgorde waarin ze gebeuren?

(a)  

18.

In welk tekstverband maakt de volgorde van de alinea's niet uit?

(a)  

19.

Waaruit bestaat een tekst met een tweedelige structuur?

a)

Inleiding

b)

Midden

c)

Slot

20.

Wat is een feit?

a)

objectief

b)

subjectief

21.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (t.t.)
De meester ... de vraag.
a)
beantwoort
b)
beantwoorde
c)
beantwoordt
d)
beantwoord
22.
Vul het werkwoord 'tekenen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Annemarie heeft een mooie draak ...
a)
getekend
b)
getekent
c)
tekende
d)
getekendt
23.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Is je vraag nu ...?
a)
beantwoort
b)
beantwoord
c)
beantwoordt
24.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (t.t.)
Jan ... de radiografisch bestuurbare auto.
a)
bestuurt
b)
bestuurd
c)
bestuurdt
d)
bestuurde
25.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
De radiografisch bestuurbare auto wordt door Jan ...
a)
bestuurdt
b)
bestuurt
c)
bestuurd
d)
besturen
26.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
... je deze quiz leuk?
a)
vind
b)
vint
c)
vindt
d)
vond
27.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
d)
vond
28.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (t.t.)
Het ... nogal eens dat het werkwoord gebeuren verkeerd wordt vervoegd.
a)
gebeurdt
b)
gebeurde
c)
gebeurd
d)
gebeurt
29.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Misschien is dat bij jou ook wel eens ...
a)
gebeurdt
b)
gebeuren
c)
gebeurt
d)
gebeurd
30.
Vul het werkwoord 'worden' in op de puntjes. (t.t.)
Deze quiz is nu afgelopen. Ik ben benieuwd wie de winnaar ...
a)
word
b)
wordt
c)
werd
d)
geworden
31.

Celine (a)   naar de prijs.

Informeren - v.t.

32.

Demi ..... de aanval van de haai .......

overleven

(a)  

33.

's Morgens (a)   Romi en Faith de hond uit.

laten - v.t.

34.

De hond van juf Judith (a)   zijn bak leeg.

eten - v.t.

35.

Hassan (a)   zijn potlood met een puntenslijper.

slijpen - v.t.

36.

Igor (a)   mij steeds tegen.

spreken - v.t.

37.

Al zingend (a)   Sharona en Nina door de gymzaal.

huppelen - v.t.

38.

Vorige week (a)   Sami verse radijsjes.

lusten - v.t.

39.

Wie (a)   het geheim aan Aya?

vertellen - v.t.

40.

Welk spreekwoord past bij: bijna niets meer hebben

a)

aan de grond zitten

b)

als een vis op het droge

c)

een blok aan het been hebben

d)

de draad kwijt zijn

41.

Noteer het spreekwoord voor: zonder toezicht doet men wat men wil

(a)  

42.

Noteer het spreekwoord voor: Men praat altijd over dingen waar men steeds aan denkt.

(a)  

43.

Welke uitdrukking past bij: veeleisend zijn?

a)

veel noten op zijn zang hebben

b)

veel voeten in de aarde hebben

c)

op grote voet leven

d)

iemand het hoofd bieden

44.

Selecteer alle uitdrukkingen.

a)

Het beste paard struikelt weleens.

b)

met zijn neus in de boter vallen

c)

te veel hooi op zijn vork nemen

d)

Zoals het klokje thuis tikt, tikt het

nergens.

45.

Welke uitdrukking past bij: elk huisje heeft zijn kruisje?

a)

ieder gezin heeft zijn eigen zorgen en problemen

b)

iemand iets wijsmaken

c)

lachen om iets war men eigenlijk niet leuk vindt

d)

ergens zich niet thuis voelen