Font size
WorksheetsFormatieve toets klas 1
Total questions: 30
Worksheet time: 25mins
Vertaal het schuingedrukte woord.
Ich bekomme jeden Monat Taschengeld.
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Silvi ist hübsch. Außerdem trägt sie immer coole Kleidung.
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Ich habe kein Geld. Deswegen kann ich nicht ausgehen.
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Er bekommt manchmal Taschengeld.
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Markenkleidung ist oft teuer.
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Die Eltern nennen ihr Baby Jonathan.
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Am zaterdagavond bin ich zu einer Party eingeladen.
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Dann kommt der zondag, den jeder mag
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Was muss ich unbedingt in Köln sehen?
(a)
Vertaal het schuingedrukte woord.
Er kauft oft Kleidung, denn Mode ist wichtig für ihn.
(a)
Welk rijtje is de juiste vervoeging van dürfen?
ich darf
du darfst
er/sie/es darf
wir dürfen
ihr dürft
Sie /sie dürfen
ich durf
du durfst
er/sie/es durfen
wir darfen
ihr darft
Sie/sie darfen
Noem vijf modale werkwoorden in het Duits?
(a)
Wat is de Nederlandse vertaling van dürfen?
(a)
Wat is de juiste vertaling van,
Sie mag keine T-Shirts
Zij mag geen t-shirts
Zij houdt niet van t-shirts
Wat is de juiste vertaling van
Wir dürfen ins Café gehen.
Wij mogen naar het café gaan.
wij durfen naar het café gaan.
Gebruik de juiste vorm.
(wollen) (a) ihr auf für eine Reise Geld sparen?
Gebruik de juiste vorm.
Sara (mögen) ihre alte Jeans nicht. Sie (wollen) eine neue.
(a)
Gebruik de juiste vorm.
(können) (a) Sie die Hose in Größe 38 bestellen?
Welk rijtje klopt
ich mag
du mögst
er/sie/es mög
wir mögen
ihr mögt
Sie/sie mögen
ich mag
du magst
er/sie/es mag
wir mögen
ihr mögt
Sie/sie mögen
Welk zelfstandig naamwoord kun je vervangen door een persoonlijk voornaamwoord als het om een mannelijk geslacht gaat? Dus (daar loopt mijn vader, hij loopt daar)
(a)
En bij het vrouwelijk geslacht? Dus (daar loopt mijn moeder, zij loopt daar)
(a)
En bij onzijdig? Dus (dat tapijt is rood, het is rood)
(a)
En bij meervoud? Dus (jullie huizen zijn groot. Zij zijn groot)
(a)
Welk persoonlijk voornaamwoord kan ik gebruiken?
Der Minirock ist nicht rot. (a) ist Gelb.
Welk persoonlijk voornaamwoord kan ik gebruiken?
Die Schuhe sind nicht schwarz. (a) sind dunkelgrau.
Welk persoonlijk voornaamwoord kan ik gebruiken?
Die Bluse ist nicht gelb. (a) ist orange
Maak een goede zin met de volgende woorden, LET OP DE JUISTE UITGANGEN.
müssen - bezahlen - ihr - von eurem Taschengeld - die Zeitschriften
Ihr (a)
Maak een goede zin met de volgende woorden, LET OP DE JUISTE UITGANGEN.
wollen - am Montag - kaufen - Computerspiele - seine Freunde
Seine Freunde (a)
Maak een goede zin met de volgende woorden, LET OP DE JUISTE UITGANGEN.
eine superparty - organisieren - wollen - am Samstag - Timo
Timo (a)
Deze oefening was voor mij .................
