wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NAW 1 - trimester 3

Total questions: 50

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Welk orgaan valt niet onder het spijsverteringsstelsel?

a)
dikke darm
b)
dunne darm
c)
hart
d)
maag
2.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
3.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)

Organisme - Orgaanstelsel - Orgaan - Weefsel - Cel

d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
4.
Als ik kijk door een oculair van 10x en een objectief van 20x, dan heb ik een totale vergroting van 10 x 20 = 200x.
a)
Juist
b)
Onjuist
5.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Orgaanstelsel

e)

Organisme

7.

De lever hoort bij het .......

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Spijsverteringsstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Zenuwstelsel

8.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

9.

Onderdeel 1 heet ......

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

10.

Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 1?

a)
slokdarm
b)

keelholte

c)
luchtpijp
d)

strottenhoofd

11.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
12.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)

transportstelsel

b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)

spijsverteringsstelsel 

13.

Welke organen horen bij het spijsverteringsstelsel?

a)

hart, slokdarm, maag, dunne darm

b)

slokdarm, maag, dikke darm, longen

c)
dikke darm, dunne darm, maag, lever, slokdarm
14.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm
15.

Hoe heet onderdeel 8?

a)
oculair
b)
objectief
c)
revolver
16.
Hoe heet de bovenste lens waardoor je kijkt?
a)
oculair
b)
objectief
17.

Wat is het cytoplasma?

a)

Hier zit alle erfelijke informatie van een organisme

b)

Dit beschermt de cel

c)

Het is vloeistof met opgeloste stoffen

d)

Dat bestaat niet

18.

Dierlijke cellen hebben bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Op welk plaatje is een dierlijke cel te zien?

a)
b)
c)
d)
20.

Alléén een dierlijke cel heeft een celmembraan.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Wat is de functie van de mitochondriën?

a)

zorgen voor de energievoorziening in een cel

b)

helpen bij het maken van eiwitten

c)

zorgen voor de stevigheid van de cel

d)

hierin ligt het DNA opgeslagen

22.

Bij welk orgaanstelsel past de volgende omschrijving?


Heeft als functie (taak) het voedsel kleiner maken.

a)

Het ademhalingsstelsel

b)

Het transportstelsel

c)

Het beenderstelsel

d)

Het spijsverteringsstelsel

23.

De neus, de mond, de luchtpijp en de longen vormen samen het: ?

a)

ademhalingsstelsel

b)

beenderstelsel

c)

spijsverteringsstelsel

d)

spierenstelsel

24.

Welke taak heeft het transportstelsel?

a)

stevigheid geven aan het lichaam

b)

vervoeren van zuurstof en voedingsstoffen

c)

het voedsel kleiner maken

d)

geen van de genoemde functies

25.

Nummer 4 is..

a)

de maag

b)

de lever

c)

een buikspier

d)

een nier

26.

Deze organen heten...

a)

darmen

b)

ribben

c)

levers

d)

nieren

27.

Deze organen horen bij...

a)

het bloedvatenstelsel

b)

het spierstelsel

c)

het ademhalingsstelsel

d)

het spijsverteringsstelsel

28.

Dit verteringssap helpt bij de afbraak van vetten

a)

Alvleessap

b)

Galsap

c)

Maagsap

d)

Speeksel

29.

Hier wordt de voedselbrij ingedikt.

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

30.

Welk orgaan maakt galsap?

a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
31.
Welke stoffen zijn brandstoffen?
a)
Water, vetten en  eiwitten
b)

Koolhydraten en vetten

c)
Vitaminen, mineralen en zouten
32.

Wat is de functie van bouwstoffen?

a)
Groei, ontwikkeling en herstel
b)

Leveren energie

c)

Zorgen voor een goede orgaanwerking

33.

Wat gebeurt er met je borstkas wanneer je diep inademt?

a)

De borstkas komt naar voor

b)

De borstkas wordt naar achter gedrukt

c)

Er gebeurt niets met de borstkas

34.

Wat gebeurt er als het middenrif naar beneden beweegt?

a)

Volume in de borstholte verkleint

b)

Volume in de borstholte vergroot

c)

Volume in de borstholte blijft hetzelfde

35.

Welke vloeistof zorgt ervoor dat de longen aan de borstkas en het middenrif blijven kleven?

a)

Longvocht

b)

Middenrif vloeistof

c)

Longvlies vloeistof

d)

Pleuravocht

36.

Benoem cijfertje 5.

a)

longblaasje

b)

longtak

c)

longtakje

d)

luchtpijptak

37.

Uitgeademde lucht bevat meer ..?

a)

Zuurstof (O2)

b)

Stikstof (N)

c)

Koolstofdioxide (CO2)

d)

Waterstof (H)

38.

De lucht die over blijft in je longen na heel diep uitademen is?

a)

Complementaire lucht

b)

Ademlucht

c)

Restlucht

39.

Welk gas is er nodig voor het verbrandingsproces in een cel?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

40.

Welke stof wordt tijdens de celademhaling verbrand?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

41.

...... bevat meer zuurstofgas

a)

Ingeademde lucht

b)

Uitgeademde lucht

c)

beide evenveel

42.

Het aantal ademhalingsbewegingen per minuut =

a)

Ademvolume

b)

Ademfrequentie

c)

Ademritme

d)

Ademdiepte

43.

Welke pijl geeft de richting van de CO2 aan?

a)

Pijl 1

b)

Pijl 2

c)

Pijl 3

d)

Pijl Q

e)

Pijl P

44.

Kijk goed naar dit plaatje. Welke naam hoort bij nummer 8?

a)

Urineblaas

b)

Galblaas

c)

Nier

d)

Baarmoeder

45.

Kijk goed naar dit plaatje. Welke naam hoort bij nummer 9?

a)

Urinebuis

b)

Urineleider

46.

De taak van het nierbekken is ...

a)

het maken van urine

b)

het verzamelen van urine

c)

het zuiveren van bloed

47.

Welke organen horen bij het uitscheidingsstelsel?

a)

longen, lever, darmen

b)

longen, huid, nieren

c)

lever, darmen, huid

d)

darmen, huid, longen

48.

Kijk goed naar dit plaatje. Welke naam hoort bij nummer 1?

a)

nierbekken

b)

nierschors

c)

niermerg

d)

nierader

49.

De mens heeft altijd maar één nier.

a)

Juist

b)

Fout

50.

Welke weg is juist?

a)

Nier - urineleider - urinebuis - blaas

b)

Nier - urinebuis - blaas - urineleider

c)

Nier - urineleider - blaas - urinebuis