wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz Nederlands 1B

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welke versie van deze zin is correct?

a)

hij gaat naar parijs met tom.

b)

Hij gaat naar Parijs met tom.

c)

hij gaat naar Parijs met Tom.

d)

Hij gaat naar Parijs met Tom.

2.

Welke reeks is correct alfabetisch gerangschikt?

a)

blauw- bloes- broek - braaf

b)

braaf - bloes - blauw - broek

c)

blauw - broek - braaf - bloes

3.

Duid de infinitief aan.

a)

jij reist

b)

reizen

c)

reis

d)

reist

4.

Duid de stam aan.

a)

worden

b)

wordt

c)

word

5.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Volgende week gaan de leerlingen van 1B op zeeklas.

a)

op zeeklas

b)

de leerlingen

c)

de leerlingen van 1B

6.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Hij zag haar gisteren op tv.

a)

haar

b)

hij

c)

gisteren

d)

tv

7.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Het WK in Qatar is begonnen.

a)

is

b)

begonnen

c)

het WK

d)

in Rusland

8.

Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin?

Hij zag gisteren een voetbalwedstrijd.

a)

gisteren

b)

zag

c)

voetbalwedstrijd

9.

Welk werkwoord past op het lijntje?

Hij ... voetbal een leuke sport.

a)

vinden

b)

vind

c)

vindt

10.

Wat is de verleden tijd van 'reizen'?

a)

reis

b)

reisde

c)

rees

11.

Welk bepaald lidwoord past in deze zin?

Hij eet ... koek terwijl hij de wedstrijd bekijkt.

a)

het

b)

de

c)

een

12.

Welk gevoel past bij deze afbeelding?

a)

blijdschap

b)

afkeer

c)

boosheid

d)

achterdocht

13.

Wat is het antoniem van 'juist'?

a)

verkeerd

b)

correct

c)

waar

d)

wel

14.

Geef het meervoud van het woord 'baby'.

(a)  

15.

Hoe noemen we de letters a, e, i, o en u in het alfabet?

(a)