wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examenleerstof wiskunde 1ste jaar 2022

Total questions: 117

Worksheet time: 2hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

x + 3 = 15

a)

18

b)

12

c)

-12

d)

20

2.

-x - 2 = -2

a)

x = 0

b)

x = 2

c)

x = 4

d)

x = -4

3.

-3x = 27

a)

x = -9

b)

x = 9

c)

x = 30

d)

x = 24

4.

4x = 20

a)

x = 5

b)

x = 4

c)

x = 3

d)

x = 2

5.
x + 5 = 7
a)
x = 2
b)
x = 12
6.
x - 3 = 12
a)
x = 9
b)
x = 15
7.
5 x = 20
a)
x = 4
b)
x = 100
8.

19 + x = -50

a)

x = -950

b)

x = -69

c)

x = -31

d)

x = -50/19

9.

x2\frac{x}{2}  = -14

a)

x = -7

b)

x = -7

c)

x = -28

d)

x = 28

10.

x7\frac{-x}{7}   = -7

a)

x = 1

b)

x = -1

c)

x = 49

d)

x = -49

11.
Dit rokje kost nu...
a)
€59,40
b)
€50,-
c)
€54,00
d)
€56,00
12.
Hoeveel procent korting krijg je?
a)
16,7%
b)
20%
c)
15%
d)
100%
13.
De tweede voor de helft van de prijs is ... % korting 
a)
50%
b)
30%
c)
15%
d)
25%
14.
3/8 deel is ... %
a)
50%
b)
24%
c)
37,5%
d)
40%
15.
Een leidster in de kinderopvang verdient €1800,- netto. Ze krijgt een loonverhoging van 1,5% wat is haar nieuwe salaris? 
a)
€2000,-
b)
€2070,-
c)
€1827,-
d)
€27,-
16.

Hoeveel liter gebruikt een persoon aan water in de badkamer?

a)

60 liter

b)

45 liter

c)

54 liter

d)

75 liter

17.
Bakker Bom bakt 900 broodjes week.  Deze week heeft hij 1% meer gebakken.
Hoeveel broodjes zijn dat?
a)
9
b)
909
c)
90
d)
990
18.
Bakker Bom bakt 450 broodjes per week.  Deze week bakt hij 10% meer.
Hoeveel broodjes zijn dat?
a)
4,5
b)
495
c)
45
d)
4500
19.
Bakker Bom bakt 700 broodjes per week. Deze week bakt hij er 5% meer.
Hoeveel broodjes  heeft hij in totaal gebakken?
a)
7
b)
75
c)
705
d)
735
20.
Bakker Bom bakt 400 broodjes.
Deze week bakt hij 20% meer.
Hoeveel heeft de bakker er totaal gebakken?
a)
20
b)
80
c)
480
d)
408
21.

Wat is het volgende getal in de rij?

2; 5; 8; 11; 14; 17; 20; 23; ?

(a)  

22.

Wat is het volgende getal in de rij?

1; 2; 4; 8; 16; 32; 64; ?

(a)  

23.

Wat is het volgende getal in de rij?

3; 5; 7; 9; 11; 13; 15; 17; 19; ?

(a)  

24.

Welk getal is het 7e getal in de rij met fomule n2 ?

a)

14

b)

343

c)

49

d)

128

25.

Wat is het volgende getal in de rij

1; 10; 100; 1 000; ?

(a)  

26.

Hoeveel procent is 1/5?

a)

15%

b)

30%

c)

25%

d)

20%

27.

5214\frac{5}{2}-\frac{1}{4}  

a)

42\frac{4}{2}  

b)

44\frac{4}{4}  

c)

94\frac{9}{4}  

d)

114\frac{11}{4}  

28.
a)

=512=\frac{5}{12}  

b)

=524=\frac{5}{24}  

c)

=612=\frac{6}{12}  

d)

=6144=\frac{6}{144}  

29.

12+23=\frac{1}{2}+\frac{2}{3}=  

a)

76\frac{7}{6}  

b)

35\frac{3}{5}  

c)

36\frac{3}{6}  

d)

12\frac{1}{2}  

30.

37\frac{3}{7} van 210 =

a)

90

b)

490

c)
60
d)
80
31.

Gelijknamige breuken zijn breuken met eenzelfde ... .

(a)  

32.

Maak 37 en 23 \frac{3}{7}\ en\ \frac{2}{3}\  gelijknamig.

4 lines
33.

(15)2\left(\frac{1}{5}\right)^2  

a)

210\frac{2}{10}  

b)

125\frac{1}{25}  

c)

25\frac{2}{5}  

d)

225\frac{2}{25}  

34.

(13)2\left(\frac{-1}{3}\right)^2  

a)

16\frac{-1}{6}  

b)

125\frac{1}{25}  

c)

19\frac{1}{9}  

d)

26\frac{2}{6}  

35.

124\frac{-1^2}{4}  

a)

14-\frac{1}{4}  

b)

116\frac{1}{16}  

c)

18\frac{1}{8}  

d)

14\frac{1}{4}  

36.

16169\sqrt{\frac{16}{169}}  

a)

814=47\frac{8}{14}=\frac{4}{7}  

b)

413\frac{4}{13}  

c)

414=27\frac{4}{14}=\frac{2}{7}  

d)

4169\frac{4}{169}  

37.

(25)0\left(-\frac{2}{5}\right)^0  

a)

0

b)

-1

c)

25-\frac{2}{5}  

d)

1

38.

3261\frac{3^2}{6^1}  

a)

61=6\frac{6}{1}=6  

b)

96=32\frac{9}{6}=\frac{3}{2}  

c)

91=9\frac{9}{1}=9  

d)

936=14\frac{9}{36}=\frac{1}{4}  

39.

(3)212\frac{\left(-3\right)^2}{12}  

a)

9144=116-\frac{9}{144}=-\frac{1}{16}  

b)

9144=116\frac{9}{144}=\frac{1}{16}  

c)

912=34-\frac{9}{12}=-\frac{3}{4}  

d)

912=34\frac{9}{12}=\frac{3}{4}  

40.

10016\frac{\sqrt{100}}{16}  

a)

5016=258\frac{50}{16}=\frac{25}{8}  

b)

104=52\frac{10}{4}=\frac{5}{2}  

c)

1016=58\frac{10}{16}=\frac{5}{8}  

d)

108=54\frac{10}{8}=\frac{5}{4}  

41.

Hoeveel procent is ⅛ ?

a)

25%

b)

12,5%

c)

0,125

d)

33,3%

42.
9,95946
Rond af op 1 decimaal.
a)
9,0
b)
10
c)
10,0
d)
9,9
43.
4% van 800 =
a)
32
b)
320
c)
16
d)
160
44.

Welke breuk hoort bij 0,20?

a)

2010\frac{20}{10}

b)

15\frac{1}{5}

c)

12\frac{1}{2}

d)

25\frac{2}{5}

45.

Welke breuk hoort bij 0,25?

a)

12\frac{1}{2}

b)

13\frac{1}{3}

c)

14\frac{1}{4}

d)

15\frac{1}{5}

46.

35\frac{3}{5}  deel van €1,00 is ...

a)

€0,40

b)

€0,50

c)

€0,60

d)

€0,75

47.

Ben koopt een doosje aardbeien.

Welk deel van 1 kg is dit doosje met

aardbeien?

a)

12\frac{1}{2}

b)

13\frac{1}{3}

c)

14\frac{1}{4}

d)

15\frac{1}{5}

48.

0,56 in breukvorm is

a)

1425\frac{14}{25}

b)

56\frac{5}{6}

c)

056\frac{0}{56}

d)

5600\frac{5}{600}

49.

2,8 in breukvorm is

a)

1425\frac{14}{25}

b)

145\frac{14}{5}

c)

28=14\frac{2}{8}=\frac{1}{4}

d)

82=4\frac{8}{2}=4

50.

De decimale vorm van

725\frac{7}{25}  is 

a)

7,25

b)

0.28

c)

25.7

d)

28

51.

De decimale vorm van

920\frac{9}{20}  is 

a)

9.2

b)

20.9

c)

0.9

d)

0.45

52.

Hoeveel is 40% van 2880 ?

a)

288

b)

576

c)

1152

d)

1440

53.

Hoeveel is 35% van 2785 ?

a)

903.65

b)

1001.28

c)

974.75

d)

1123.98

54.

Je krijgt in de solden 28% korting op een trui van € 78.50. Hoeveel betaal je nog ?

a)

56.52

b)

60.23

c)

51.47

d)

62.31

55.

310=\frac{3}{10}=  

a)

3,0

b)

0,3

c)

0,03

d)

0,003

56.

910=\frac{9}{10}=  

a)

90

b)

9,0

c)

0,9

d)

0,09

57.

(34)2=\left(\frac{\text{}-3}{\text{}4}\right)^2=  

a)

- 916\frac{\text{- 9}}{\text{16}}  

b)

94\frac{\text{9}}{\text{4}}  

c)

916\frac{9}{16}  

d)

94\frac{-9}{4}  

58.

243=\frac{-2^4}{3}=   

a)

- 83\frac{\text{- 8}}{\text{3}}  

b)

-163\frac{\text{-16}}{\text{3}}  

c)

89\frac{8}{9}  

d)

169\frac{16}{9}  

59.

(45)3=\left(\frac{-4}{5}\right)^3=   

a)

- 1215\frac{\text{- 12}}{\text{15}}  

b)

- 64125\frac{\text{- 64}}{\text{125}}  

c)

1215\frac{12}{15}  

d)

64125\frac{64}{125}  

60.

(25)0=\left(\frac{-2}{5}\right)^0=   

a)

- 25\frac{\text{- 2}}{\text{5}}  

b)

0\text{0}  

c)

11  

d)

15\frac{1}{5}  

61.

3649=\sqrt{\frac{36}{49}}=  

a)

67\frac{6}{7}  

b)

1849\frac{18}{49}  

c)

649\frac{6}{49}  

d)

bestaat niet ! 

62.

2581=\sqrt{\frac{-25}{81}}=  

a)

59\frac{-5}{9}  

b)

59\frac{5}{9}  

c)

581\frac{-5}{81}  

d)

bestaat niet ! 

63.

8136=\sqrt{\frac{81}{36}}=  

a)

32\frac{3}{2}  

b)

936\frac{9}{36}  

c)

816\frac{81}{6}  

d)

bestaat niet ! 

64.

64144=\sqrt{\frac{64}{144}}=  

a)

32\frac{3}{2}  

b)

23\frac{2}{3}  

c)

8144\frac{8}{144}  

d)

bestaat niet ! 

65.

7  (6 + 4) = 7  6 + 7  47\ \cdot\ \left(6\ +\ 4\right)\ =\ 7\ \cdot\ 6\ +\ 7\ \cdot\ 4  

Welke eigenschap werd hier toegepast ?

a)

Het optellen van rationale getallen is associatief

b)

Het vermenigvuldigen van rationale getallen is associatief

c)

Het vermenigvuldigen is distributief t.o.v. het optellen van rationale getallen.

d)

Het vermenigvuldigen van rationale getallen is commutatief

e)

Het optellen van rationale getallen is commutatief. 

66.

7  (6 + 4) = 7  (4 + 6)7\ \cdot\ \left(6\ +\ 4\right)\ =\ 7\ \cdot\ \left(4\ +\ 6\right)  

Welke eigenschap werd hier toegepast ?

a)

Het optellen van rationale getallen is associatief

b)

Het vermenigvuldigen van rationale getallen is associatief

c)

1 is het neutraal element voor de vermenigvuldiging van rationale getallen. 

d)

Het vermenigvuldigen van rationale getallen is commutatief

e)

Het optellen van rationale getallen is commutatief. 

67.

7  (6  4) = (6  4)  77\ \cdot\ \left(6\ -\ 4\right)\ =\ \left(6\ -\ 4\right)\ \cdot\ 7  

Welke eigenschap werd hier toegepast ?

a)

Het vermenigvuldigen is distributief t.o.v. het aftrekken van rationale getallen 

b)

Het aftrekken van rationale getallen is associatief

c)

0 is het opslorpend element voor het vermenigvuldigen van rationale getallen. 

d)

Het vermenigvuldigen van rationale getallen is commutatief

e)

Het optellen van rationale getallen is commutatief. 

68.

Als ik op  6  (2  9)6\ \cdot\ \left(2\ -\ 9\right)  de commutatieve eigenschap van de vermenigvuldiging in Q toepas, krijg ik ...

a)

6  (9  2)6\ \cdot\ \left(9\ -\ 2\right)  

b)

6  9  6  26\ \cdot\ 9\ -\ 6\ \cdot\ 2  

c)

6  (2 + 9)6\ \cdot\ \left(2\ +\ 9\right)  

d)

(2  9)  6\left(2\ -\ 9\right)\ \cdot\ 6  

69.

Als ik op  6 + 2  96\ +\ 2\ -\ 9  de associatieve eigenschap van de optelling in Q toepas, krijg ik ...

a)

6 + 9  26\ +\ 9\ -\ 2  

b)

6  2  6  96\ \cdot\ 2\ -\ 6\ \cdot\ 9  

c)

6 + (2  9)6\ +\ \left(2\ -\ 9\right)  

d)

(6 + 2)  9\left(6\ +\ 2\right)\ -\ 9  

70.

Als ik op  6  1+ 20  9  06\ \cdot\ 1+\ 2^0\ -\ 9\ \cdot\ 0  de eigenschap het neutraal element voor de vermenigvuldiging in Q toepas, krijg ik ...

a)

6 + 20  9  06\ +\ 2^0\ -\ 9\ \cdot\ 0  

b)

6  1 + 1  9  06\ \cdot\ 1\ +\ 1\ -\ 9\ \cdot\ 0  

c)

6  1 + 20  06\ \cdot\ 1\ +\ 2^0\ -\ 0  

d)

6  1 + 0  9  06\ \cdot\ 1\ +\ 0\ -\ 9\ \cdot\ 0  

71.

2,5 x 0,4=

(a)  

72.

1,3 x 20 =

(a)  

73.

0,12 x 8 =

(a)  

74.

6 x 0,4 =

(a)  

75.

14 x 0,01

(a)  

76.

22,5 : 5 =

(a)  

77.

35 : 0,7 =

(a)  

78.

0,56 : 0,8=

(a)  

79.

12,6 : 2=

(a)  

80.

18,4 : 4 =

(a)  

81.

Wat is de juiste volgorde ?

a)

haakjes, machten en wortels, vermenigvuldigen en delen, optellen en aftrekken

b)

haakjes, optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen, machten en wortels

c)

haakjes, vermenigvuldigen en delen, machten en wortels, optellen en aftrekken

d)

haakjes, optellen en aftrekken, machten en wortels, vermenigvuldigen en delen

82.

37 + 58=\frac{3}{7}\ +\ \frac{5}{8}=  

a)

5956\frac{59}{56}  

b)

13561\frac{3}{56}  

c)

1 1181\ \frac{1}{18}  

d)

815\frac{8}{15}  

83.

Wat is de betekenis van 'commutativiteit'?

a)

Je mag de termen/factoren van plaats wisselen

b)

Je mag de haakjes plaatsen, verplaatsen en/of weglaten

c)

Optellen/vermenigvuldigen met het neutraal element heeft geen invloed op het oorspronkelijke getal

d)

Het resultaat van een optelling/vermenigvuldiging is ook een element van dezelfde verzameling

84.

Wat is de betekenis van 'associativiteit'?

a)

Je mag de termen/factoren van plaats wisselen

b)

Je mag de haakjes plaatsen, verplaatsen en/of weglaten

c)

Optellen/vermenigvuldigen met het neutraal element heeft geen invloed op het oorspronkelijke getal

d)

Het resultaat van een optelling/vermenigvuldiging is ook een element van dezelfde verzameling

85.

Wanneer kan je de 'distributiviteit' toepassen?

a)

Bij meer dan 2 optellingen/aftrekkingen

b)

Bij meer dan 2 vermenigvuldigingen/delingen

c)

Wanneer je een factor moet vermenigvuldigen met een som/verschil

d)

Wanneer je een som vermenigvuldigt met een som

86.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

87.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

88.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

89.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

90.

Een zwaartelijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

91.

Een hoogtelijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

92.

Een middelloodlijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

93.

Een bissectrice in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

94.

Als een rechte door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

95.

Als een rechte door een hoek gaat en door het midden van de overstaande zijde is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

96.

Als een rechte door het midden van een zijde gaat en loodrecht staat op de drager van de zijde is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

97.

Als een rechte door een hoek gaat en en de bijhorende hoek in twee even grote hoeken verdeelt is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

98.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

99.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

100.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

101.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

102.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

103.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

104.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

105.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

106.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

107.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

108.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

109.

Welke 'merkwaardige' lijn wordt hier voorgesteld?

a)

Hoogtelijn

b)

Zwaartelijn

c)

Middelloodlijn

d)

Bissectrice

110.

rechte EL is een ...

a)

bissectrice

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

zwaartelijn

111.

rechte JK is een ...

a)

bissectrice

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

zwaartelijn

112.

rechte EK is een ...

a)

bissectrice

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

zwaartelijn

113.

rechte GP is een ...

a)

bissectrice

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

zwaartelijn

114.

rechte BF is een ...

a)

bissectrice

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

zwaartelijn

115.

rechte FQ is een ...

a)

bissectrice

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

zwaartelijn

116.

rechte EZ is een ...

a)

bissectrice

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

zwaartelijn

117.

Welke merkwaardige lijnen worden hier afgebeeld?

a)

Bissectrices

b)

Zwaartelijnen

c)

Middelloodlijnen

d)

Hoogtelijnen