WorksheetsPractice Grammar Test 1TL
Total questions: 45
Worksheet time: 11hrs 1mins
Personal Pronouns (Persoonlijke Voornaamwoorden)
Vul het juiste woord in. Kies uit:
I - you - she - he - it - we - they
me - you - her - him - it - we - they
My brother travels all over the world. ... is a musician.
(a)
Personal Pronouns (Persoonlijke Voornaamwoorden)
Vul het juiste woord in. Kies uit:
I – you – she – he – it – we – they
me – you – her – him – it – us – them
Have you seen my keys? I can’t find …
(a)
Personal Pronouns (Persoonlijke Voornaamwoorden)
Vul het juiste woord in. Kies uit:
I – you – she – he – it – we – they
me – you – her – him – it – us – them
If you see Fred, say hello to ... for me.
(a)
Personal Pronouns (Persoonlijke Voornaamwoorden)
Vul het juiste woord in. Kies uit:
I – you – she – he – it – we – they
me – you – her – him – it – us – them
Do you know Suzan and Freek? … are popular in The Netherlands.
(a)
Personal Pronouns (Persoonlijke Voornaamwoorden)
Vul het juiste woord in. Kies uit:
I – you – she – he – it – we – they
me – you – her – him – it – us – them
We were talking too much. The teacher told … to be quiet.
(a)
Possessive Pronouns (Bezittelijke Voornaamwoorden)
Kies het juiste antwoord.
(Her / Hers) brother is cute.
(a)
Possessive Pronouns (Bezittelijke Voornaamwoorden)
Kies het juiste antwoord.
Are those books (your / yours)?
(a)
Possessive Pronouns (Bezittelijke Voornaamwoorden)
Kies het juiste antwoord.
Oh my goodness! That’s (my / mine) favourite song!
(a)
Possessive Pronouns (Bezittelijke Voornaamwoorden)
Kies het juiste antwoord.
Look at the hamster. (His / Its) cheeks are full of food.
(a)
Possessive Pronouns (Bezittelijke Voornaamwoorden)
Kies het juiste antwoord.
(Your / Yours) hair looks nice. Did you go the hairdresser?
(a)
a / an (het onbepaald lidwoord)
Kies tussen “a” of “an”
Today is (a / an) extra special day.
(a)
a / an (het onbepaald lidwoord)
Kies tussen “a” of “an”
I have (a / an) day off because it’s my birthday.
(a)
a / an (het onbepaald lidwoord)
Kies tussen “a” of “an”
My family and friends are coming in (a / an) hour.
(a)
a / an (het onbepaald lidwoord)
Kies tussen “a” of “an”
I baked (a / an) chocolate cake.
(a)
a / an (het onbepaald lidwoord)
Kies tussen “a” of “an”
I also made (a / an) apple pie.
(a)
to be (zijn) bevestigende, ontkennende en vraagzinnen
Kijk naar de aanwijzijng voor de zin en vul de juiste vorm van “to be” in. Gebruik de korte of de lange vorm.
(+) My father … an architect.
(a)
to be (zijn) bevestigende, ontkennende en vraagzinnen
Kijk naar de aanwijzijng voor de zin en vul de juiste vorm van “to be” in. Gebruik de korte of de lange vorm.
(?) … you new here?
(a)
to be (zijn) bevestigende, ontkennende en vraagzinnen
Kijk naar de aanwijzijng voor de zin en vul de juiste vorm van “to be” in. Gebruik de korte of de lange vorm.
(-) That movie … very good.
(a)
to be (zijn) bevestigende, ontkennende en vraagzinnen
Kijk naar de aanwijzijng voor de zin en vul de juiste vorm van “to be” in. Gebruik de korte of de lange vorm.
(-) Leave the window open. I … cold.
(a)
to be (zijn) bevestigende, ontkennende en vraagzinnen
Kijk naar de aanwijzijng voor de zin en vul de juiste vorm van “to be” in. Gebruik de korte of de lange vorm.
(?) … Kruidvat still open?
(a)
Vervoeg het werkwoord tussen haakjes. Gebruik de Present Simple.
Linda ... hockey every Sunday. (play)
(a)
Vervoeg het werkwoord tussen haakjes. Gebruik de Present Simple.
Freddy ... Spanish every Monday night. (study)
(a)
Vervoeg het werkwoord tussen haakjes. Gebruik de Present Simple.
Theresa never eats fish. She ... it. (not like)
(a)
Maak de zin vragend. Gebruik de Present Simple.
They work hard.
(a)
Maak de zin vragend. Gebruik de Present Simple.
Ted and Mary travel to Spain every summer.
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes in de Present Simple of de Present Continuous. Gebruik de lange of korte vorm.
We ... ... a cake now. (bake)
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes in de Present Simple of de Present Continuous. Gebruik de lange of korte vorm.
I (a) to the movies tonight. (to go)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes in de Present Simple of de Present Continuous. Gebruik de lange of korte vorm.
He (a) meat. He's a vegetarian. (not eat)
Present Simple of Present Continuous? Schrijf de hele vraag in je antwoord.
...... you ...... in Emmeloord? (live)
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes in de Present Simple of de Present Continuous. Gebruik de lange of korte vorm. Je hoeft alleen de ontbrekende woorden in te vullen.
The Simpsons (a) to a restaurant every day. It's too expensive. (not go)
Maak zinnen door de woorden in de juiste volgorde te zetten. Gebruik een hoofdletter aan het begin van de zin en eindig met een punt.
at McDonald's - my sister works - on the weekend.
(a)
Maak zinnen door de woorden in de juiste volgorde te zetten. Gebruik een hoofdletter aan het begin van de zin en eindig met een vraagteken.
on Saturday - to the zoo - shall we go - ?
(a)
Maak zinnen door de woorden in de juiste volgorde te zetten. Gebruik een hoofdletter aan het begin van de zin en eindig met een vraagteken.
to Fred's party - tomorrow night - are you going - ?
(a)
Maak zinnen door de woorden in de juiste volgorde te zetten. Gebruik een hoofdletter aan het begin van de zin en eindig met een punt.
last week - in the hospital - Tina was.
(a)
Maak zinnen door de woorden in de juiste volgorde te zetten. Gebruik een hoofdletter aan het begin van de zin en eindig met een vraagteken.
to soccer practice - this evening - is your father driving you - ?
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes. Gebruik de bevestigende vorm (+) van de past simple.
Mrs. van der Graaf ... in Toronto when she was a child. (live)
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes. Gebruik de bevestigende vorm (+) van de past simple.
We ... the boxes home. (carry)
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes. Gebruik de bevestigende vorm (+) van de past simple.
Tony ... Rummikub with his family last night. (play)
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes. Gebruik de bevestigende vorm (+) van de past simple.
Fred and Wilma ... a bank last night. (rob)
(a)
Vul de zinnen aan met de werkwoorden tussen haakjes. Gebruik de bevestigende vorm (+) van de past simple.
The students ... for their English test all weekend. (study)
(a)
Maak de zin vragend (?). Gebruik de Simple Past.
We went on vacation last summer.
(a)
Maak de zin ontkennend (-). Gebruik de Simple Past.
They hurried home after school.
(a)
Maak de zin vragend (?). Gebruik de Simple Past.
Our mother told us a story last night.
(a)
Maak de zin ontkennend (-). Gebruik de Simple Past.
He broke his leg playing on the trampoline yesterday.
(a)
Maak de zin vragend (?). Gebruik de Simple Past.
She saw Tony last night.
(a)
