wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T5 Zintuigen en waarnemen basisstof 1-7

Total questions: 27

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

je zintuigen vangen elke (a)   uit je omgeving op en geven de informatie door aan de hersenen

2.
Geluid is een
a)
zintuig
b)
waarneming
c)
prikkel
d)
impuls
3.

Oogspieren zitten vast aan het harde oogvlies

a)

waar

b)

niet waar

4.

Met deel P is een evenwichtszintuig aangegeven

a)

waar

b)

niet waar

5.

wat is de functie van het pupilreflex?

a)

ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op netvlies ontstaat

b)

de hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt

c)

de ogen beschermen tegen indringend vuil

6.

Wat is de functie van het vaatvlies?

a)

het geven van stevigheid aan je oog

b)

het regelen van hoeveelheid licht dat op je netvlies valt

c)

je oog van zuurstof en voedingstoffen voorzien

d)

het kunnen aanpassen van de scherpte

7.

welk onderdeel wordt er als eerst bereikt wanneer de trilling van de lucht je gehoorgang binnen is gekomen?

a)

gehoorbeentjes

b)

trommelvlies

c)

slakkenhuis

d)

venster

8.

In welke laag van de huid zitten talgklieren en zweetklieren?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuidse bindweefsel

9.

Wat is nummer 5?

a)

De oogzenuw

b)

De pupil

c)

Het harde oogvlies

d)

Het glasachtig lichaam

10.

Wat is nummer 8?

a)

De oogspier

b)

De gele vlek

c)

Het hoornvlies

d)

De lens

11.

Wat is nummer 6?

a)

Het vaatvlies

b)

De gele vlek

c)

Het harde oogvlies

d)

De hoornlaag

12.

Als je verziend bent dan ....

a)

Zie je van dichtbij niet scherp

b)

Zie je ver weg niet scherp

13.

Waar of niet waar? De wenkbrauwen beschermen je oog tegen vliegjes.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Als je bijziend bent dan ...

a)

Zie je van veraf niet scherp

b)

Zie je dichtbij niet scherp

15.

De functie van de hoornlaag is...

a)

Het beschermen tegen beschadiging, uitdroging en ziektes.

b)

Het delen van de cellen om de huid te vernieuwen.

16.

Welk zintuig reageert op lichte aanraking?

a)

Drukzintuigen

b)

Pijnpunten

c)

Tastzintuigen

d)

Warmtezintuigen

17.

Welk cijfer wijst het talgkliertje aan?

a)

11

b)

12

c)

6

d)

7

18.

Welk cijfer wijst het zweetkliertje aan?

a)

11

b)

10

c)

7

d)

6

19.

Welk cijfer wijst het zweetkliertje aan?

a)

11

b)

10

c)

7

d)

6

20.

Welke smaken proef je met je tong?

a)

zoet, zout, bitter, zuur

b)

zout, zoet, bitter, umami

c)

zoet, bitter, umami, zuur

d)

zoet, bitter, umami, zuur, zout

21.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
22.
Wat zijn adequate prikkels voor de huid?
a)
Licht, geluid, smaak, temperatuur, pijn
b)
Warmte, kou, smaak, licht, pijn
c)
Geur, pijn, tast, druk, pijn
d)
Warmte, kou, tast, druk, pijn
23.
Het centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
Hersenen, Ruggenmerg en Zenuwen
b)
Hersenen 
c)
Hersenen & Ruggenmerg
d)
Hersenen & Zzenuwen
24.
Een bewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
25.
Wat zijn hormonen en waar worden ze gemaakt?
a)
Hormonen zijn regelstoffen en worden gemaakt in de hypofyse
b)
Hormonen zijn herkenningsstoffen en worden gemaakt in de hypofyse
c)
Hormonen zijn regelstoffen en worden gemaakt in hormoonklieren
d)
Hormonen zijn herkenningsstoffen en worden gemaakt in de hormoonklieren
26.
Functie van de eilandjes van Langerhans=
a)
Groeihormoon, hormonen waarmee de werking van andere hormoonklieren wordt geregeld.
b)
Schildklierhormoon. Dit hormoon regelt de snelheid waarmee verbranding in je lichaam plaatsvindt.
c)
Insuline en glucagon. Regelen de hoeveelheid glucose in het bloed.
d)
adrenaline. zorgt voor meer glucose in het bloed.
27.
Functie van de bijnieren=
a)
Groeihormoon, hormonen waarmee de werking van andere hormoonklieren wordt geregeld.
b)
Schildklierhormoon. Dit hormoon regelt de snelheid waarmee verbranding in je lichaam plaatsvindt.
c)
Insuline en glucagon. Regelen de hoeveelheid glucose in het bloed.
d)

adrenaline afgeven bij gevaar of schrik. zorgt voor meer glucose in het bloed.