wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Criminaliteit herhaling kader

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Je bent een verdachte wanneer...

a)

Je wordt verdacht van een strafbaar feit

b)

Je naar de rechter moet

c)

Als de politie dit zegt

2.

Je bent de dader wanneer...

a)

De rechter een straf geeft

b)

De officier van Justitie dit zegt

c)

Als je een strafbaar feit hebt gepleegd

d)

De politie je oppakt

3.

Een proces verbaal is...

a)

Een verslag van de officier van justitie

b)

Een politie verslag waarin een onderzoek staat van de verdachte.

c)

Een verslag van de rechter

d)

Een schoolproject

4.

Een misdrijf is...

a)

Een minder ernstig strafbaar feit

b)

Een ernstig strafbaar feit

c)

Geen strafbaar feit

5.

Een voorbeeld van een misdrijf is...

a)

Parkeren op verboden terrein

b)

Fietsen met je telefoon in je hand

c)

Moord

d)

Door rood rijden

6.

Wat is GEEN misdrijf?

a)

Verkrachting

b)

Mishandeling

c)

Diefstal

d)

Niet meer naar school gaan

7.

Een overtreding is...

a)

Een minder ernstig strafbaar feit

b)

Een ernstig strafbaar feit

8.

Een voorbeeld van een overtreding is...

a)

Door rood rijden

b)

Mishandeling

c)

Dronken rijden

9.

Wat doet de officier van Justitie?

a)

Is de aanklager, zorgt ervoor dat de verdachte naar de rechter gaat of een andere straf krijgt.

b)

Bepaalt de eindstraf

c)

Geeft strafvermindering

d)

Werkt bij de rechtbank en zorgt voor de hoogste straf.

10.

Wat is een voorbeeld van tijdsgebonden criminaliteit?

a)

Als je iemand vermoord, krijg je nu een langere straf dan vroeger

b)

De doodstraf is verboden

c)

Wapens zijn verboden

11.

Tijdsgebonden criminaliteit betekent ook wel...

a)

Criminaliteit veranderd met de tijd mee

b)

Criminaliteit kent geen tijd

c)

Dat de ideeën die wij over criminaliteit hebben, continue veranderen.

12.

Plaatsgebonden criminaliteit is...

a)

Als criminaliteit op verschillende plekken tegelijk plaatsvindt.

b)

Als criminaliteit alleen op een bepaalde plaats gebeurd.

c)

Als criminaliteit op plaatsen gebeurd

d)

Als criminaliteit in elke plaats anders is

13.

Materiële schade is...

a)

Niet uit te drukken in geld

b)

Uit te drukken in geld

14.

Een voorbeeld van materiële schade is...

a)

Letsel

b)

Trauma

c)

Nachtmerries

d)

Gestolen tas

15.

Immateriële schade is..

a)

Niet uit te drukken in geld

b)

Uit te drukken in geld

16.

Een voorbeeld van immateriële schade is...

a)

Trauma

b)

Gestolen tas

c)

Gestolen tv

d)

kapotte telefoon

17.

Criminaliteit preventief aanpakken betekend...

a)

Hard aanpakken

b)

Voorkomen

18.

Volgens de etikettering theorie...

a)

Ga je je crimineel gedragen omdat je toch het etiket crimineel hebt.

b)

Ga je je crimineel gedragen doordat je slecht bent geholpen

c)

Ga je je crimineel gedragen omdat je geen hoop meer hebt in de samenleving

19.

Een lik-op-stuk beleid betekent.

a)

processen van criminaliteit goed oplossen

b)

Processen van criminaliteit langzaam oplossen

c)

Processen van criminaliteit snel oplossen.

20.

Een dagvaarding is...

a)

Een uitnodiging van politie

b)

Een brief dat je naar de rechter moet

c)

Een brief met de straf van de rechter erop.

21.

Linkse politieke partijen willen...

a)

Criminaliteit voorkomen

b)

Criminaliteit hard aanpakken

22.

Rechtse partijen willen...

a)

Criminaliteit voorkomen

b)

Criminaliteit hard aanpakken

23.

De officier van Justitie kan...

a)

Gevangenisstraf geven

b)

TBS geven

c)

Vervolgen

24.

De officier van justitie kan ook schikken, dit betekent:

a)

Een gevangenisstraf

b)

Een boete of taakstraf geven

c)

Vervolgen

25.

De officier van justitie mag ook seponeren, dit betekent:

a)

Een zaak weggooien

b)

Vervolgen

c)

boete geven