Font size
Worksheets3TL Unit 6
Total questions: 83
Worksheet time: 42mins
vliegtuig (UK)
(a)
verlaten
(a)
bereikbaar
(a)
precies
(a)
extra
(a)
avontuurlijk
(a)
vooruit; verderop
(a)
moedig(e)
(a)
slager
(a)
verzorger
(a)
kasteel
(a)
eeuw
(a)
kok
(a)
nieuwsgierig
(a)
betrouwbaar
(a)
moeilijk
(a)
rijbewijs (UK)
(a)
tijdperk
(a)
vooral; in het bijzonder
(a)
duur
(a)
feit
(a)
brandweerman/-vrouw
(a)
flexibel
(a)
verboden
(a)
ijverig
(a)
maar; echter
(a)
stagiaire
(a)
invasie
(a)
vrachtwagen
(a)
middeleeuws
(a)
millennium
(a)
motor
(a)
mysterieus
(a)
ouderwetse
(a)
tegemoetkomend
(a)
oorspronkelijk
(a)
paleis
(a)
passagier
(a)
geduldig
(a)
loodgieter
(a)
praktisch
(a)
punctueel
(a)
achter-
(a)
opmerkelijk
(a)
onderzoeker
(a)
rotonde
(a)
ruïne
(a)
(zit)plaats
(a)
secretaresse
(a)
afzonderlijk
(a)
dienst
(a)
winkelbediende
(a)
gek
(a)
soortgelijk
(a)
plaats
(a)
reserve-
(a)
sportief
(a)
prachtig
(a)
bang zijn (voor)
(a)
vergelijken
(a)
bevestigen
(a)
botsen
(a)
fietsen
(a)
ontdekken
(a)
rijden; besturen (auto)
(a)
verdienen
(a)
eruitzien
(a)
inhalen
(a)
parkeren
(a)
doen aan; beoefenen
(a)
voorstellen
(a)
aanbevelen
(a)
onthullen
(a)
rijden (fiets, of als passagier van auto, bus of trein)
(a)
verkeersbord
(a)
afslag
(a)
ondergronds
(a)
onbekend
(a)
tenzij
(a)
tot vandaag; tot op heden
(a)
busje
(a)
zichtbaar
(a)
wiel
(a)
