wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Liberalisme en Socialisme

Total questions: 10

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.
Het hoofddoel van kapitalistische ondernemers is ....
a)
Niet failliet gaan
b)
Arbeiders onder de duim houden
c)
Zo veel mogelijk winst maken
d)
Een zo'n rustig mogelijk leven leiden
2.
Een kernbegrip bij het liberalisme is gelijkheid.
a)
Goed
b)
Fout
3.
Andere benaming voor de 'rijken' in de tijd van de Burgers en stoommachines.
a)
Proletariaat
b)
Bourgeoisie
c)
Arbeiders
d)

Fabrikanten

4.

De SDAP bleven trouw aan de ideologie van Marx

a)
Goed
b)
Fout
5.
Socialisme is: 
a)
Het opkomen voor gelijke rechten van vrouwen. 
b)
De overheid moest zich niet te veel bemoeien met de arbeiders. 
c)
Je moest sociaal zijn voor elkaar. 
d)
Je moest opkomen voor onrechtvaardigheid in de samenleving. 
6.

Wat is de sociale kwestie?

a)

Dat mensen steeds minder voor elkaar over hadden doordat ze zo'n ellendig leven leiden door de industriële revolutie.

b)

Een wet die de leef- en werksituatie van mensen verbetert.

c)

Het probleem van armoede en de slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders door de industriële revolutie.

d)

Stroming die ernaar streeft dat arbeiders via een revolutie aan de macht komen, zodat er een klasseloze samenleving ontstaat.

7.

Door wie werden de werkomstandigheden van de fabrieksarbeiders verbeterd?

a)

Proletariaat

b)

Parlement

c)

Kapitalisten

d)

Vakbonden

8.
" Kinderen van 11 tot 15 jaar en vrouwen mogen maximaal 11 uur per dag werken" - Waar is dit een voorbeeld van?
a)
Kapitalisme
b)
Sociale wet
c)
Politieke partij
d)
Kiesrecht
9.
Nederland krijgt in 1848 een nieuwe grondwet omdat:
a)
Thorbecke zijn voorstel voor een nieuwe grondwet zo goed was
b)
Willem I democratischer ging denken en de oude grondwet slecht vond
c)
Willem II bang was voor revolutie in Nederland zoals in andere landen
d)
Willem II een democraat was en vond dat het volk meer te vertellen moest hebben. 
10.

Welke van de 4 veranderingen stond NIET in de grondwet van 1848?

a)

De koning wordt onschendbaar. De ministers zijn verantwoordelijk voor de koning.

b)

Er komt algemeen kiesrecht

c)

De macht wordt vanaf nu verdeeld over de regering en het parlement

d)

Iedereen krijgt dezelfde grondrechten.