wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Migratie

Total questions: 27

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Welk land is een voormalige kolonie van Nederland?

a)

Indonesië

b)

Marokko

c)

Turkije

d)

Australië

2.

Welk begrip wordt omschreven:

Verhuizen naar een andere woonplaats

(a)  

3.

Uit welke landen komen gastarbeiders?

a)

Marokko

b)

Suriname

c)

Turkije

d)

Antillen

e)

Spanje

4.

Wanneer heb je een migratieachtergrond?

a)

Als je in het buitenland bent geboren.

b)

Als je met iemand uit het buitenland trouwt

c)

Als jouw moeder jou op vakantie heeft geboren

d)

Als ten minste een van jouw ouders is geboren in het buitenland

e)

Als je uit Nederland komt

5.

Wat zijn voorbeelden van een vertrekredenen?

a)

Natuurrampen

b)

Hoge belasting

c)

veiligheid

d)

vrijheid van meningsuiting

e)

Politieke stabiliteit

6.

Hoe noem je migranten die verhuizen voor laaggeschoold werk?

a)

Kennismigranten

b)

arbeidsmigranten

c)

Vluchtelingen

d)

asielzoekers

7.

Wanneer gelden mensenrechten niet bij mensen?

a)

Als je van de oppositie bent

b)

Als je een andere etnische afkomst hebt

c)

Als je een andere godsdienst aanbidt dan de meerderheid in een land.

d)

Nooit

8.

Wanneer is een migrant illegaal?

a)

Mensen die naar Europa komen voor een beter bestaan en werk.

b)

Mensen die vluchten voor oorlog

c)

Mensen die opzoek zijn naar een veilige omgeving

d)

Mensen die bescherming aanvragen

9.

Wat is een voorbeeld van een vestigingsreden?

a)

Armoede

b)

veiligheid

c)

discriminatie

d)

Kans op werk

e)

werkeloosheid

10.

Welke land in Europa zijn rijker?

a)

West- en Noord-Europa

b)

Oost- en Zuid-Europa

c)

West- en Oost-Europa

d)

Zuid- en Noord-Europa

11.

Tot wanneer wonen asielzoekers in een asielzoekerscentrum?

a)

Tot zij zelf een huis hebben gevonden

b)

Totdat ze een verblijfsvergunning krijgen

c)

Totdat ze terug kunnen naar hun eigen land

d)

Totdat zij de Nederlandse identiteit hebben gekregen

12.

Wanneer kom je terecht in een andere cultuur?

a)

Als je verhuist naar een andere provincie

b)

Als je terug verhuist naar jouw land van herkomst

c)

Als verhuisd naar een ander dorp

d)

Als je naar een ander land verhuist

13.

Welk begrip wordt hier omschreven?:

Als je als migrant actief meedoet aan de nieuwe samenleving en die probeert te begrijpen.

(a)  

14.

Hoe is het opleidingsniveau van een Vluchteling?

a)

Laag

b)

Hoog

c)

zowel hoog als laag

15.

Is de diploma van Kennismigrant erkend?

a)

Wel erkend

b)

Niet erkend

c)

Wel of niet erkend

16.

Heeft een Kennismigrant kans op gezondheidsklachten door wat ze hebben meegemaakt?

a)

Ja, psychische klachten

b)

Ja, fysieke klachten

c)

Ja, zowel fysieke en psychische klachten

d)

Nee

17.

Heeft een vluchteling kans op gezondheidsklachten door wat die heeft meegemaakt?

a)

Ja, psychische klachten

b)

Ja, fysieke klachten

c)

Ja, fysieke en psychische klachten

d)

Nee

18.

Welke migranten spreken op het moment dat ze naar Nederland verhuizen?

a)

Kennismigranten

b)

Asielzoekers

c)

Arbeidsmigranten

d)

Gastarbeiders

e)

Geen

19.

Welk begrip wordt hier omschreven?:

"Het laten overkomen van het gezin van de migrant naar het nieuwe land waar hij woont om er samen te leven."

a)

Vertrekredenen

b)

Gezinshereniging

c)

Braindrain

d)

Multiculturele samenleving

20.

Wat is een voorbeeld van integratie?

a)

De vreemde taal leren met een taalmaatje

b)

Een winkel uit 'eigen' land openen

c)

Werken in het nieuwe land

d)

Mensen opzoeken die hetzelfde land van herkomst hebben

21.

Waarom is het lastig voor vluchteling om een baan te vinden zelfs als ze een erkend diploma hebben?

a)

Omdat ze veel fysieke klachten hebben

b)

Ze willen niet werken

c)

Ze spreken de Nederlandse taal niet (goed genoeg)

d)

Ze hebben geen kennissen die ze kunnen helpen

22.

Wat is een gevolg van de komst van migranten?

a)

De natuurlijke bevolkingsgroei stijgt

b)

Een multiculturele samenleving

c)

De sociale bevolkingsgroei daalt

d)

Geen gevolgen

23.

Wat voor inkomen hebben de meeste mensen met migratieachtergrond?

a)

Hoog inkomen

b)

Midden inkomen

c)

Laag inkomen

24.

Waar zie je vooral segregatie?

a)

Alleen in Nederland

b)

In woonplaatsen in Europa

c)

In alle steden in Europa

d)

In heel West-Europa

25.

Wat zijn voorzieningen die segregatie vergroten?

a)

Supermarkten uit andere landen

b)

Een taalmaatje

c)

Slagers uit andere landen

d)

Naar de Nederlandse school gaan

e)

Terugkeren naar het land van herkomst

26.

Wanneer is er een positieve natuurlijke bevolkingsgroei?

a)

Als er meer kinderen geboren worden dan dat er mensen sterven

b)

Als er meer mensen sterven dan kinderen geboren worden

c)

Als er meer mensen emigreren dan dat er mensen immigreren

d)

Als er meer mensen immigreren dan dat er mensen emigreren

27.

Welke delen van Europa hebben te maken met braindrain?

a)

Noord-Europa

b)

Oost-Europa

c)

Zuid-Europa

d)

West-Europa