wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling brugklas 1.5-2.1-3.1-4.1-5.4-6.1-6.2

Total questions: 36

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Het proces waarbij suiker gemaakt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

2.

In welke delen kan deze plant zuurstof maken?

a)

in de bladeren en de bladstelen

b)

in de wortels en de bladstelen

c)

in de bladeren en de wortels

d)

in alle zichtbare delen

3.
Wat wordt er gemaakt bij de fotosynthese?
a)
voedsel en zuurstof
b)
water en zuurstof
c)
koolstofdioxide en zuurstof
d)
voedsel en koolstofdioxide
4.

Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese? (meerdere antwoorden goed)

a)

Glucose

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

e)

Zonlicht

5.

Een perenboom heeft energie nodig voor fotosynthese. Waar komt deze energie vandaan?

a)

Peren

b)

Bladgroenkorrels

c)

Bodem

d)

Zonlicht

6.

Nummer 1 heet

a)

slokdarm

b)

holle ader

c)

luchtpijp

d)

aorta

7.

Nummer 4 is..

a)

de maag

b)

de lever

c)

een buikspier

d)

een nier

8.

Deze organen horen bij...

a)

het bloedvatenstelsel

b)

het spierstelsel

c)

het ademhalingsstelsel

d)

het verteringsstelsel

9.
Deze organen zijn bezig met je ademhaling
a)
je hart, je longen, je luchtpijp, je neus
b)
je neus, je mond, je slokdarm, je luchtpijp
c)
je neus, je mond, je luchtpijp, je longen
d)
je neus, je mond, je luchtpijp, je hart
10.
Je eten wordt verteerd in (goede volgorde)
a)
je mond, je maag, je slokdarm, je darmen
b)
je mond, je maag, je darmen, je slokdarm
c)
je slokdarm, je maag, je mond, je darmen
d)
je mond, je slokdarm, je maag, je darmen
11.
Welk orgaan wordt weergegeven met J?
a)
Lever
b)
Maag
c)
Alvleesklier
d)
Hart
12.
Welk orgaan wordt weergegeven met D?
a)
Slokdarm
b)
Luchtpijp
c)
Holle ader
d)
Aorta
13.
Dit is een dwarsdoorsnede van...
a)
de buikholte (onder het middenrif)
b)
de borstholte
c)
de buikholte (ter hoogte van de navel)
14.
Welke organen horen bij het spierstelsel?
a)
dijbeenspier, rib, biceps
b)
biceps,triceps,nekspier
c)
hart, long, biceps
d)
aorta, holle ader, hart
15.
Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?
a)
Stammen
b)
Klassen
c)
Rijken
d)
Domeinen
16.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
17.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

18.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

19.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

20.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

bescherming

b)

stevigheid

c)

beweging

d)

spijsvertering

21.

welk bot zit niet in je arm

a)

kuitbeen

b)

spaakbeen

c)

ellepijp

d)

opperarm been

22.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
23.

Aan een kant van dit bot zit een kraakbeenverbinding en aan de andere kant zit een gewricht. Wat voor bot kan dit zijn?

a)

Rib

b)

Wervel

c)

Borstbeen

d)

Sleutelbeen

24.

Wat is het verschil tussen een bewuste reactie en een onbewuste reactie (reflex)?

a)

Bij een reflex voel je eerst de pijn en daarna maak je de beweging

b)

Bij een reflex maak je eerst de beweging en daarna voel je pas de pijn

25.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Coordinatie van bewegingen

b)

Bewuste gewaarwording van omgeving

c)

Evenwicht bewaren

d)

Geen van bovenstaande

26.

Hoe noemen we een elektrisch signaaltje dat van een zintuig af komt?

a)

Prikkel

b)

Neuron

c)

Impuls

d)

Bananen

27.

Wat voor type zenuw is 5?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

c)

Schakelcel

28.

Wat voor type zenuw is 6?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

c)

Schakelcel

29.

Wat voor type zenuw is 7?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

c)

Schakelcel

30.

Waar bevindt de eicel zich in een plant?

a)

In stuifmeelkorrels.

b)

In de stempel

c)

In het vruchtbeginsel.

d)

In de helmknoppen.

31.

Een zaadje ontstaat door...

a)

bevruchting van de eicel.

b)

groei van het vruchtbeginsel.

c)

Normale groei van de plant.

d)

Uitgroeiende stuifmeelkorrels.

32.

Hoe worden de grote gekleurde bladeren van een bloem genoemd, die dienen voor het aanlokken van insecten? (B1, kennis)

a)

kroonbladeren

b)

kelkbladeren

c)

bladeren van de steel

33.

Waar worden de stuifmeelkorrels geproduceerd? (B1, kennis)

a)

helmknop

b)

helmhokjes

c)

helmdraad

d)

vruchtbeginsel

34.

Een bloem beschikt alleen over een stamper, is deze bloem eenslachtig of tweeslachtig en is deze bloem mannelijk of juist vrouwelijk? (B1+8, inzicht)

a)

eenslachtig en mannelijk

b)

tweeslachtig en mannelijk

c)

eenslachtig en vrouwelijk

d)

tweeslachtig en vrouwelijk

35.

Welk nummer geeft het vruchtbeginsel aan? (B1, inzicht)

a)

4

b)

6

c)

7

d)

8

36.

Wat is bestuiving? (B2, kennis)

a)

het groeien van de stuifmeelbuis door de stijl van een stamper van dezelfde plantensoort

b)

Het overbrengen van stuifmeel van een meeldraad op de stempels van een bloem van dezelfde plantensoort

c)

Het versmelten van de kern van de stuifmeelkorrel met de kern van een eicel van dezelfde plantensoort

d)

Het vrijkomen van stuifmeel uit de helmhokjes van een meeldraad