wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

testquiz 80

Total questions: 80

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De bakker heeft de broden alsnog kunnen verkopen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

2.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Tijdens de ouderavond krijgen alle ouders koffie of thee.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

3.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Sinds wanneer heeft elke voetballer een nieuw t-shirt?

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

4.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn moeder heeft voor de visite een cake gebakken.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

5.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De heksen toveren de prins om in een kikker.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

6.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik wil een nieuwe outfit voor het feest morgen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

7.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn broertje ruimt nooit zijn spullen op.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

8.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik heb voor school mijn agenda nodig.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

9.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De meester deelt lastige toetsen uit aan groep 8.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

10.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?


Mijn moeder heeft de auto op slot gedaan.

a)

Mijn moeder

b)

heeft

c)

de auto

d)

heeft gedaan

11.
Wat betekent  kandidaat?
a)

Iemand die niet  meedoet

b)
Iemand die ergens aan meedoet
c)
Iemand die niet mee wil doen
d)
Iemand die graag meedoet
12.
Wat betekent overmacht?
a)
Dat je  er niets aan kon doen
b)
Dat je  te veel macht hebt
c)
Dat je  niet veel macht hebt
d)
Dat je het niet zeker weet
13.
Een ander woord voor trachten
a)
Springen
b)
Hard lopen
c)
Proberen
d)
Het nog eens overdoen
14.
Wat is een surveillant?
a)
Iemand die niet goed oplet
b)
Iemand die heel goed oplet
c)
Iemand die nooit goed oplet
d)
Iemand die toezicht houdt dat alles goed gaat
15.
Een ander woord voor onlangs
a)
Later
b)
Nog nooit gebeurd
c)
Net gebeurd
d)
In de toekomst
16.
Een  ander woord voor uitslag?
a)
Resultaat
b)
Examen
c)
Cijfer
d)
Rapport
17.
Een ander woord voor koelbloedig
a)
Rustig
b)
Rustig  en kalm blijvend
c)
Opgewonden
d)
Zelfverzekerd
18.

van een koude kermis thuiskomen betekent

a)

het was koud op de kermis

b)

de kermis in Huissen

c)

teleurgesteld zijn

d)

geen prijs hebben gewonnen

19.

ergens feestelijk voor bedanken

a)

iemand een bosje bloemen geven

b)

iets niet willen doen

c)

iemand is jarig

d)

iets willen doen

20.

als Pasen en Pinksteren op één dag vallen

a)

nooit

b)

vaak

c)

altijd

d)

1x in de maand

21.

het meervoud van biervat is....

a)

biervaten

b)

biervatten

22.

het meervoud van havik is....

a)

haviken

b)

havikken

23.

Het meervoud van timmerman is....

a)

timmerlieden

b)

timmerlui

c)

timmermannen

d)

vakmannen

24.

het meervoud van fotograaf is....

a)

fotograven

b)

Fotograffen

c)

Fotografen

d)

fotogravfen

25.

leven in de brouwerij brengen betekent

a)

de saaiheid doorbreken

b)

een feestje maken

c)

iedereen is thuis

d)

het is erg saai feestje

26.

Als je op eieren loopt dan ben je....

a)

heel stil

b)

heel voorzichtig

c)

heel boos

d)

heel rustig

27.
Wat betekent accuraat?
a)
Helemaal ernaast
b)
Zeer nauwkeurig
c)
Bijna goed
d)
Zeer snel optrekken
28.
Welk woord is fout gespeld?
a)
contribusie
b)
contributie
29.
Welk woord is fout gespeld?
a)
narcissen
b)
narsissen
30.
Welk woord is goed gespeld?
a)
tvprogramma
b)
tv-programma
c)
tv-progamma
31.
Welk woord is fout gespeld?
a)
terapie
b)
therapie
32.
Welk woord is goed gespeld?
a)
perzikken
b)
perziken
33.
Welk woord is fout gespeld?
a)
kanoos
b)
kano's
34.
Welk woord is goed gespeld?
a)
sochtends
b)
s'ochtends
c)
's ochtends
35.
Welk woord is goed gespeld?
a)
slechterikken
b)
slechteriken
36.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel overtuigen?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Werkstuk

b)

Handleiding

c)

Advertentie

d)

Betoog

37.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel amuseren?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Horoscoop

b)

Recensie

c)

Strip

d)

Recept

38.

Een informatieve tekst bevat feiten.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

De bedoeling van de schrijver staat vaak

a)

In de titel

b)

In de eerste alinea

c)

In het middenstuk

d)

In het slot

40.

Welk plaatje heeft INSTRUEREN als tekstdoel?

a)
b)
c)
d)
41.

welk plaatje is de activerende tekst?

a)
b)
c)
d)
42.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
43.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)

een alinea

b)

het onderwerp

c)

de hoofdgedachte

d)

een tussenkopje

44.
Je bekijkt de tekst en je leest de eerste alinea.
a)
oriënterend lezen
b)
globaal lezen
c)
studerend lezen
d)
Zoekend lezen
45.
Een tekst is meestal verdeeld in een middenstuk (kern) en een slot.

a)
goed
b)
fout
46.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
47.
Wat is een synoniem
a)
Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis.
b)

een woord dat je fonetisch schrijft

c)
1 woord met 2 verschillende betekenissen
48.

De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt en/of wat de schrijver vindt.

a)
fout
b)
goed
49.
De hoofdgedachte staat meestal in de
a)
middenstuk-slot
b)
inleiding of in het slot.
c)
inleiding- middenstuk
50.
. Dokter en arts zijn
a)
homoniemen
b)
synoniemen
51.
De belangrijkste informatie over een deelonderwerp staat vaak in de laatste zin van de alinea.
a)
dit is goed
b)
fout, het is de eerste zin
52.

Je zoekt informatie over het beste restaurants bij jou in de buurt. Welke bron is het meest betrouwbaar?

a)

websites van restaurants

b)

vrienden die vaak uit eten gaan

53.

Welke signaalwoorden geven een tegenstelling weer?

a)

al met al

b)

hoewel

c)

maar

d)

tevens

e)

uiteindelijk

54.

Met de auto ben je sneller op je bestemming. Bovendien reis je comfortabel. Welk verband staat in deze zinnen?

a)

oorzaak-gevolg

b)

opsomming

c)

tegenstelling

55.

Welke uitspraken is/zijn waar?

a)

Een mening is iets wat iemand vindt.

b)

Feiten zijn controleerbaar.

c)

Argumenten ondersteunen feiten.

56.

Wat maakt een mening sterk?

a)

wanneer de schrijver veel uitroeptekens gebruikt

b)

goede argumenten

c)

wanneer de schrijver veel hoofdletters gebruikt

57.

Welke uitspraken zijn feiten?

a)

Honden zijn zoogdieren

b)

Honden zijn gevaarlijk

c)

Honden zijn lief

d)

Honden zijn vleeseters

e)

Honden kunnen ziektes overbrengen

58.

Welke uitspraken zijn meningen?

a)

Iedereen moet gratis kunnen studeren

b)

Studeren kan een flinke kostenpost zijn

c)

Iedere student zou zijn eigen studie moeten betalen

d)

Studeren kan in de meeste Nederlandse steden

59.

Een tekst bestaat meestal uit:

a)

begin, vervolg, eind

b)

inleiding, middenstuk/kern, slot

c)

anekdote, deelonderwerp, conclusie

d)

voorbeeld, kern, eind

60.

Als je een uitleg wilt geven in een tekst kun je de het volgende signaalwoord gebruiken:

a)

maar

b)

ook

c)

met andere woorden

d)

terwijl

61.

Als de schrijver een opsomming wil laten zien in een tekst, kan hij het volgende signaalwoord gebruiken:

a)

dus

b)

ten eerste

c)

echter

d)

terwijl

62.

Als je een tegenstelling duidelijk wil maken in een tekst, kun je de volgende woorden gebruiken:

a)

maar

b)

echter

c)

daardoor

d)

daarom

63.

Waarmee kun je het eens of oneens zijn?

a)

Een argument

b)

Een feit

c)

Een mening

64.

Wat betekent het woord 'talloze'?

a)

met meerdere mogelijkheden

b)

gewoonten die worden doorgegeven

c)

heel erg veel

d)

met veel mensen

e)

meer dan

65.

Wat betekent het woord 'bucketlist'?

a)

informatieve film

b)

lijst met dingen die iemand nog wil doen

c)

op goede gedachten of ideeën brengen

d)

proberen uit te laten komen

66.

Ook al geldt in Zuid-Holland en Zeeland geen code rood meer voor gevaarlijk weer door ijzel en sneeuwresten, het is er op veel plekken toch glad op wegen, stoepen en bruggen.

Signaalwoord toch....

a)

Tekstverband: tegenstelling

b)

Tekstverband: opsomming

67.

De bron van een tekst betekent

a)

wie de tekst geschreven heeft.

b)

waar je de tekst gevonden hebt.

c)

wat het doel is van de tekst.

68.
Als je iemand tegen zijn wil, vasthoudt en eisen stelt dan is dat een ?
a)
expert
b)
gijzeling
c)
klassiek aanzoek
69.

Welke rijmvorm tref je aan in onderstaande zin? Gods wijze glimlach duurde 20 jaar.

a)

Eindrijm

b)

Alliteratie

c)

Assonance

d)

Elisie

70.

Wat is literatuur?

a)

Verzamelnaam voor fictieve teksten die een 'diepere laag' hebben.

b)

Verzamelnaam voor non fictie teksten.

c)

De manier waarop een verhaal is geschreven.

d)

Alles wat ik niet wil lezen.

71.

Wat is fictie?

a)

Een verzonnen verhaal.

b)

Een autobiografisch verhaal.

c)

Een verhaal dat (deels) kan gaan over werkelijke gebeurtenissen.

d)

Een verhaal dat (deels) kan gaan over mensen die werkelijk hebben bestaan.

72.

als een verhaal op volgorde van tijd verloopt dan noem je dat (a)  

73.

de tijd die verloopt binnen het verhaal (aantal uur, dagen, jaren etc.) noemen we de (a)   tijd

74.

tijd overslaan in een verhaal heet een ...

(a)  

75.

De zin: 'Ik keek uit het raam en zag mijn kat door de tuin lopen.' is een voorbeeld van:

a)

auctoriaal perspectief

b)

personaal perspectief

c)

ik-perspectief

d)

meervoudig perspectief

76.

De zin: 'Toen ze uit het raam keek en haar kat door de tuin zag lopen, waren er honderd kilometer verderop de meest gruwelijke zaken gestart die ook haar te zijner tijd zouden bereiken.' is een voorbeeld van:

a)

auctoriaal perspectief

b)

personaal perspectief

c)

ik-perspectief

d)

meervoudig perspectief

77.

De zin: 'Toen ze uit het raam keek en haar kat door de tuin zag lopen, dacht ze aan de meest gruwelijke zaken honderd kilometer verderop die haar te zijner tijd ook zouden kunnen bereiken.' is een voorbeeld van:

a)

auctoriaal perspectief

b)

personaal perspectief

c)

ik-perspectief

d)

meervoudig perspectief

78.

teken een rups

79.

Wat is de persoonsvorm ALTIJD?

(a)  

80.

In de verleden tijd heb je NOOIT......

a)

......de

b)

.....te

c)

....dt

d)

....e