wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basiskennis onderbouw gt/havo/vwo Nederlands

Total questions: 144

Worksheet time: 1hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

De persoonsvorm is ALTIJD een ...........

a)

Werkwoord

b)

Vorm van ik

c)

Vorm van mij

d)

Probleem

2.

Het onderwerp van een tekst vind je door te letten op:

a)

tussenkopjes en dikgedrukte of onderstreepte woorden

b)

De titel

c)

Een tekening of foto bij de tekst

d)

De eerste zin of de eerste alinea.

3.
Wat is het ergste?
a)
Catastrofe
b)
Ongeval
c)
Een tegenvaller
4.
Iemand die het goed naar zijn zin heeft,
a)
Heeft een tuintje op zijn buik.
b)
Is in zijn knollentuin
c)
Is om de tuin geleid.
5.

Uit welke taal komt het volgende woord?

Computer

a)

Engels

b)

Frans

c)

Duits

d)

Latijn

6.

Uit welke taal komt het volgende woord?

Ambulance

a)

Engels

b)

Frans

c)

Duits

d)

Latijn

7.

Uit welke taal komt het volgende woord?

Sushi

a)

Chinees

b)

Japans

c)

Arabisch

d)

Dit is geen leenwoord

8.

Uit welke taal komt het volgende woord?

Piano

a)

Fins

b)

Grieks

c)

Italiaans

d)

Dit is geen leenwoord

9.

Uit welke taal komt het volgende woord?

Schwalbe

(a)  

10.

Uit welke taal komt het volgende woord?

Museum

(a)  

11.

Welk woord past voor alle woorden?

..... maker ......familie .....zwemmen

a)

fijn

b)

orde

c)

rijden

d)

schoon

12.

Soort humor?

De directeur van de NMBS heeft een leuk salarisje.

a)

parodie

b)

cynisme

c)

sarcasme

d)

understatement

13.

Wat is een voorbeeld van een activerende tekst?

a)

Een wetenschappelijk artikel

b)

Toneelstuk

c)

Een pop-up

d)

Handleiding

14.

Wat is een signaalwoord bij het voorwaardelijk tekst verband?

a)

Omdat

b)

Tenzij

c)

En

d)

Maar

15.

Noem de tekstsoort van een nieuwsbericht

(a)  

16.

Een verband binnen een zin of tussen zinnen noem je een:

a)

Kernzin

b)

Zinsverband

c)

Alinea

d)

Alineaverband

17.

Wat is in de volgende zin de persoonsvorm:

Wij zijn bijna aan het einde van het jaar gekomen.

a)

Zijn

b)

Bijna

c)

Het

d)

Gekomen

18.

Op welke plaats(en) in een alinea vind je de kernzin meestal?

a)

De kernzin staat altijd maar 1 keer in de tekst

b)

De kernzin staat alleen in de 1e zin

c)

De kernzin staat meestal aan het einde, of bijna aan het einde.

d)

De kernzin is meestal de eerste, tweede of laatste zin van een alinea.

19.

Welk woord is geen is signaalwoord?

a)

ook

b)

vooralsnog

c)

zijn

d)

verder

20.

Het vriest buiten. Is dit een feit of een mening?

a)

Mening

b)

Feit

21.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

De boodschap die de schrijver wil geven

b)

Waar jij denkt dat de tekst over gaat

c)

Een werkwoord

d)

De gedachte van een personage in een boek

22.

Wat is de goede volgorde voor het schrijven van een tekst?

a)

Inleiding-slot-kern

b)

Kern-slot-inleiding

c)

Inleiding-kern-slot

d)

Kern-inleiding-slot

23.

Wat is een manier om de persoonsvorm te vinden?

a)

De zin in een andere tijd zetten

b)

De zin andersom lezen

c)

De zin hardop lezen

d)

Wie of wat voor de zin plaatsen

24.

Wat is de juiste schrijfwijze?

a)

onmiddelijk

b)

onmiddellijk

c)

onmiddenlijk

d)

meteen

25.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

a)

De persoonsvorm van een zin

b)

Alle werkwoorden in een zin

c)

De persoonsvorm en onderwerp van een zin

26.

Het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar. Als de een in meervoud is, is de ander dat ook.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

Zij wil straks de krant lezen.

a)

Zij

b)

wil

c)

de krant

d)

lezen

28.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van de volgende zin:

Dat kind zit steeds te giechelen.

a)

Dat kind

b)

zit

c)

zit te giechelen

d)

giechelen

29.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van de volgende zin:

De zeeverkenners hebben dit jaar weer meegedaan aan de zeilwedstrijd.

a)

De zeeverkenners

b)

hebben

c)

hebben meegedaan

d)

meegedaan

30.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat altijd uit meerdere werkwoorden.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Wat is het onderwerp van de volgende zin:

Het huis van de buren wordt mogen geverfd.

a)

Het huis

b)

Het huis van de buren

c)

wordt

d)

geverfd

32.

Wat is het lijdend voorwerp van de volgende zin:

Zij heeft hem een horloge gegeven.

a)

Zij

b)

heeft gegeven

c)

hem

d)

een horloge

33.

Wat is het lijdend voorwerp van de volgende zin:

Die vrachtauto versperde gister de weg.

a)

Die vrachtauto

b)

versperde

c)

gister

d)

de weg

34.

Welk antwoord bevat een bijzin?

a)

De hond hapte naar de postbode.

b)

De sauna in het zwembad was kapot.

c)

Mijn oma eet geen appels, want ze is er allergisch voor.

d)

De rode auto reed met volle vaart door rood.

35.

Welke zin is goed geschreven?

a)

Vader zei: 'Jay, vergeet niet de hond uit te laten, de vissen te voeren en je kamer op te ruimen!'

b)

Vader zei: jay, vergeet niet de hond uit te laten, de vissen te voeren en je kamer op te ruimen!

c)

vader zei jay vergeet niet de hond uit te laten, de vissen te voeren en je kamer op te ruimen

d)

Vader zei: Jay, vergeet niet de hond uit te laten, de vissen te voeren en je kamer op te ruimen!

36.

Maak van het voltooid deelwoord een bijvoeglijk naamwoord

Het gebouw is verlicht

Het (a)   gebouw

37.

In welke zin zit een dubbele ontkenning?

a)

Ik heb daar nooit geen tijd voor.

b)

Ik heb daar nooit tijd voor

c)

Ik heb daar geen tijd voor

38.

Welke zin bevat een contaminatie?

a)

Dat jurkje zal wel erg duur zijn

b)

Dat jurkje zal wel duur kosten

c)

Dat jurkje is duur

39.

mummies komen uit

(a)  

40.

wat is de naam voor woorden als ; eerst, daarna, dan, tot slot

(a)  

41.

Ik had zijn gsm aan Maarten gegeven.

a)

pv

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

e)

bepaling

42.

Ik had zijn gsm aan Maarten gegeven.

a)

pv

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

e)

bepaling

43.

slimmer..... ik

a)

als

b)

dan

44.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het bevat het belangrijkste nieuws van een nieuwsbericht.

b)

Het vat de belangrijkste inhoud van een tekst in enkele zinnen samen.

c)

Het vertelt in één zin wat de tekst over het onderwerp van de tekst zegt.

45.

Wat is het onderwerp van een biografie over jou?

a)

Dat weet je niet zonder het boek gelezen te hebben.

b)

Een boek heeft nooit een onderwerp.

c)

Dat ben ik zelf.

d)

Poetin zoals hij het zelf zou vertellen.

46.

Wat is de mogelijke hoofdgedachte van een tekst over schoonmaakmiddelen?

a)

Ook een kast vol met jaren oude schoonmaakmiddelen?

b)

De meeste schoonmaakmiddelen zijn eigenlijk overbodig.

c)

Veel mensen weten niet dat je de schimmel in je badkamer met azijn kunt wegkrijgen.

47.

Het belangrijkste doel van een brief van de NS over tariefswijzigingen is ...

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overhalen

d)

overtuigen

48.

Teksten over hetzelfde onderwerp en met hetzelfde doel hebben dezelfde hoofdgedachte.

a)

Dat zou kunnen, maar hoeft niet.

b)

Ja, want de teksten willen hetzelfde bereiken.

c)

Nee, elke tekst is verschillend en heeft dus een andere hoofdgedachte.

49.

Welke uitspraken zijn juist?

De informatie in een tekst is betrouwbaarder als....

a)

de bron belang heeft bij een bepaalde voorstelling van zaken.

b)

de bron van de tekst bekend is.

c)

de bron verstand heeft van het onderwerp.

d)

de informatie in elk geval ouder is dan één week.

e)

de informatie te controleren is.

50.

Welk woord is een samengesteld woord?

a)

koopje

b)

dankbaar

c)

figuurlijk

d)

doelgroep

51.

Welk woord is een samengesteld woord?

a)

dagbesteding

b)

kleintje

c)

hoorbaar

d)

heropvoeden

52.

Welk woord heeft een voorvoegsel?

a)

kippensoep

b)

ongelooflijk

c)

denken

d)

worsteling

53.

Welk woord heeft een voorvoegsel?

a)

werkwoord

b)

antwoord

c)

herinrichten

d)

dropje

54.

Welk woord heeft een achtervoegsel?

a)

betekenisvol

b)

vol

c)

herdenken

d)

dropsleutel

55.

Welke twee woorden hebben een achtervoegsel?

a)

werkloos

b)

betekenisvol

c)

optioneel

d)

hersenen

56.

Vul de juiste vorm in:

[aanschaffen] Ik heb een nieuw skateboard [………….].

(a)  

57.

Vul de juiste vorm in:

[realiseren] Ik heb me dat helemaal niet [………………..].

(a)  

58.

Vul de juiste vorm in:

[afrekende] Heb jij de boodschappen al […………………].

(a)  

59.

Vul de juiste vorm in:

[ toepast ] Heb ik de goede strategie wel [...………...……...…….].?

(a)  

60.

Het is steenkoud buiten. Is dit een feit of een mening?

a)

Mening

b)

Feit

61.

Wat is een manier om de persoonsvorm te vinden?

a)

De zin in een andere tijd zetten

b)

De zin vragend maken.

c)

de getalsproef

(=aantal van het onderwerp veranderen)

d)

De docent vragen.

62.

Welke rijmvorm tref je aan in onderstaande zin? Gods wijze glimlach duurde 20 jaar.

a)

Eindrijm

b)

Alliteratie

c)

Assonance

d)

Elisie

63.

Wat is literatuur?

a)

Verzamelnaam voor fictieve teksten die een 'diepere laag' hebben.

b)

Verzamelnaam voor non fictie teksten.

c)

De manier waarop een verhaal is geschreven.

d)

Alles wat ik niet wil lezen.

64.

Wat is fictie?

a)

Een verzonnen verhaal.

b)

Een autobiografisch verhaal.

c)

Een verhaal dat (deels) kan gaan over werkelijke gebeurtenissen.

d)

Een verhaal dat (deels) kan gaan over mensen die werkelijk hebben bestaan.

65.

als een verhaal op volgorde van tijd verloopt dan noem je dat (a)  

66.

de tijd die verloopt binnen het verhaal (aantal uur, dagen, jaren etc.) noemen we de (a)   tijd

67.

tijd overslaan in een verhaal heet een ...

(a)  

68.

minder tijd nemen voor het vertellen van een gebeurtenis dan de tijd die de gebeurtenis in het verhaal in beslag nam noemen we ...

(a)  

69.

als de verteltijd groter is dan de vertelde tijd dan noemen we dat ...

(a)  

70.

De zin: 'Ik keek uit het raam en zag mijn kat door de tuin lopen.' is een voorbeeld van:

a)

auctoriaal perspectief

b)

personaal perspectief

c)

ik-perspectief

d)

meervoudig perspectief

71.

De zin: 'Toen ze uit het raam keek en haar kat door de tuin zag lopen, waren er honderd kilometer verderop de meest gruwelijke zaken gestart die ook haar te zijner tijd zouden bereiken.' is een voorbeeld van:

a)

auctoriaal perspectief

b)

personaal perspectief

c)

ik-perspectief

d)

meervoudig perspectief

72.

De zin: 'Toen ze uit het raam keek en haar kat door de tuin zag lopen, dacht ze aan de meest gruwelijke zaken honderd kilometer verderop die haar te zijner tijd ook zouden kunnen bereiken.' is een voorbeeld van:

a)

auctoriaal perspectief

b)

personaal perspectief

c)

ik-perspectief

d)

meervoudig perspectief

73.

Wat is een standpunt?

a)

een mening

b)

gemakkelijk te lezen

c)

iets met want of omdat

d)

een bouwplan

74.

Wat zijn voorbeelden van beoordelingswoorden?

a)

want, omdat, en, tevens, bijvoorbeeld

b)

meeslepend, geheimzinnig, eng, goed

c)

dus, daarom, want, al met al

d)

de, het, een

75.

Welke zin bevat een argument?

a)

Ik ga het liefst naar Çuracao op vakantie.

b)

Zij willen met de voorstelling meedoen.

c)

Dat vak is afgrijselijk. Je moet teveel uit je hoofd leren.

d)

Hij is goed in sport en hij is goed in wiskunde.

76.

Welke 5 tekstdoelen ken je?

(a)  

77.

Wat een prachtige beweging!

a)

Feit

b)

Mening

78.

Maar en echter zijn de signaalwoorden voor het tekstverband ...

(a)  

79.

Een feit kun je controleren.

a)

Waar

b)

Niet waar

80.

Welke uitspraken zijn juist? Er zijn meerdere goede antwoorden.

a)

Als je iets kunt controleren is het een feit.

b)

Feiten kun je alleen op Google controleren.

c)

Een mening herken je aan woorden ik vind en volgens mij.

d)

Een argument herken je aan signaalwoorden als want, omdat, daarom en namelijk.

81.
Waar vind je de hoofdgedachte van een tekst? 
a)
Niet, die moet je zelf bedenken. 
b)
In de inleiding en in het slot. 
c)
Altijd in de laatste alinea. 
d)
Altijd in de eerste alinea. 
82.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij blijft langer weg dan normaal, dus er zal wel iets aan de hand zijn.

a)

Redengevend

b)

Samenvattend

c)

Concluderend

d)

Oorzakelijk

83.
Welke signaalwoorden horen bij een 'redengevend verband'? 
a)
namelijk, want
b)
al met al, doordat
c)
want, al met al
d)
doordat, wegens
84.

Plak de zinnen aan elkaar en gebruik een voegwoord. Je mag de woordvolgorde veranderen.

Ik heb de bus gemist. Ik kwam te laat.

4 lines
85.

Je móet eentje kiezen:

1. Als het regent moet je altijd heel hard huilen (ook als je binnen bent).

2. Altijd als je een hond ziet moet je een kwartier lang achter hem aan kruipen.

a)

Ik kies 1.

b)

Ik kies 2.

86.
Juist of onjuist. Een vooroordeel is een mening hebben over iets of iemand die niet op feiten is gebaseerd.
a)
Juist
b)
Onjuist
87.

Een voorbeeld van een informatieve tekst is

a)

een betoog

b)

een recensie

c)

een schoolboek

d)

een stripverhaal

88.

Wat wordt bij een instructie niet gebruikt?

a)

de mening van de schrijver

b)

grafieken

c)

afbeeldingen

d)

de bron van de tekst

89.
Wat is het tekstdoel?
Een recept voor appelcake.
a)
informeren
b)
instructies geven
c)
overtuigen
d)
activeren
90.
Wat is het tekstdoel?
Een artikel op Wikipedia over Antwerpen.
a)
informeren
b)
activeren
c)
instructies geven
d)
overtuigen
91.
Wat is het tekstdoel?
Een poster met verschillende argumenten waarom je beter water drinkt dan frisdrank.
a)
informeren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
amuseren
92.
Wat is het tekstdoel?
Een reclameadvertentie voor de nieuwste film van James Bond.
a)
activeren
b)
informeren
c)
instructies geven
d)
amuseren
93.
Wat is het tekstdoel?
Een cartoon in de krant.
a)
amuseren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
ontroeren
94.

Mijn vader (verbieden tt) het downloaden van series op mijn Ipad.

(a)  

95.

Het (tochten vt) erg in de kamer.

(a)  

96.

Met die argumenten heb je alles volledig (beredeneren).

(a)  

97.

Het (marineren) stukje vlees werd door de kok in een (afsluiten) pan (bereiden).

(a)  

98.

Al (kletsen) wandelden de leerlingen naar de les.

(a)  

99.

Het (landen) vliegtuig (worden) volgende week helemaal (repareren).

(a)  

100.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

101.

Kies het juiste verwijswoord.

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.

a)

het

b)

hem

102.

Kies het juiste verwijswoord.

De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.

a)

hem

b)

ze

103.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar

104.

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.

a)

hun, deze

b)

hun, dit

c)

zijn, deze

d)

zijn, dit

105.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

106.

Kies het juiste verwijswoord.

Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.

a)

die, Hij

b)

dat, Hij

c)

die, Het

d)

dat, Het

107.

Kies het juiste verwijswoord.

Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.

a)

dat, Hij

b)

die, Hij

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

108.

Kies het juiste verwijswoord.

De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.

a)

dat, Hun

b)

die, Hun

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

109.
Welke trap is goed?
a)
goed-beter-best
b)
goed-goeder-goedst
110.
Welke trap is goed?
a)
veel-meer-meest
b)
veel-veler-veelst
111.
Welke trap is goed?
a)
weinig-minder-minst
b)
weinig-weiniger-weinigst
112.
De meeste leerlingen komen met de fiets naar school. Hoeveel voorzetsels zitten er in deze zin?
a)
4
b)
2
c)
1
d)
Geen
113.
Het meisje pakt een bekertje met water en zet haar tas neer.Welke zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin? 
a)
meisje, bekertje, water, tas
b)
water, tas
c)
haar, meisje
114.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Dat zegt iets over een ander woord.

b)

Dat zegt iets over een werkwoord.

c)

Dat zegt iets over de staat van de zin.

d)

Dat zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

115.

Waar is een bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

116.

In welke zin is het zelfstandig naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

117.

In welke zin is het zelfstandig werkwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

118.

Waar is het hulpwerkwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

nergens

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

119.

Waar is het bezittelijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

nergens

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

120.

In welke zin is een wederkerend voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

b)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

c)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

d)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

121.

In welke zin is een koppelwerkwoord vetgedrukt?

a)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo enorm geschaamd.

b)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo geschaamd.

c)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

d)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

122.

Waar is een persoonlijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

123.

Wat zijn de negen KOPPELWERKWOORDEN?

a)

zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen

b)

zijn, koppelen,

blijven, blijken,

lijken, schijnen,

heten, dunken, voorkomen

c)

zijn, worden, lijven, blijken, schijnen,

heten, dunken, voorkomen

d)

zijn, worden, blijven, blijken,

lijken, schijten,

heten, dunken, voorkomen

124.

Dat laatste boek sla ik hoger aan .... zijn vorige.

a)

als

b)

dan

125.

Er werd twee keer zoveel verkocht ..... vorig jaar.

a)

als

b)

dan

126.

De nieuwe spits scoort meer ..... men van hem verwachtte.

a)

als

b)

dan

127.

Dat nieuwe lokaal heeft dezelfde afmetingen ..... de oude lokalen.

a)

als

b)

dan

128.

Schrijf het woord aaneen waar dat moet. Voeg zo nodig een liggend streepje (koppelteken

of weglatingsteken) toe.

hoog + en + laag + gebergte

(a)  

129.

Schrijf het woord aaneen waar dat moet. Voeg zo nodig een liggend streepje (koppelteken

of weglatingsteken) toe.

mond + tot + mond + reclame

(a)  

130.

OPSOMMENDE signaalwoorden:

a)

ook, tevens, bovendien, daarnaast

b)

Ten eerste, ten tweede, ten derde, tenslotte

c)

Verder, om te beginnen

d)

eerst, daarna, dan, uiteindelijk

131.

CHRONOLOGISCHE signaalwoorden:

a)

Eerst, dan, daarna, uiteindelijk,

b)

Eens, toen, vroeger, nu

c)

Ten eerste, ten tweede, ten derde

d)

Voordat, nadat, vervolgens

132.

TEGENSTELLENDE signaalwoorden:

a)

Maar, echter, toch, wel

b)

En, ook, tevens, bovendien

c)

Hoewel, desondanks, weliswaar

d)

aan de ene kant

+

aan de andere kant

133.

SAMENVATTENDE signaalwoorden:

a)

Kortom, samengevat

b)

Al met al, met andere woorden

c)

ten eerste, ten tweede, ten derde

d)

Integendeel, daarentegen

134.

CONCLUDERENDE signaalwoorden:

a)

dus, kortom, al met al, met andere woorden

b)

samenvattend, concluderend, alles overziend

c)

daaruit volgt,

hieruit blijkt dat

d)

Voordat, nadat

135.

OORZAKELIJKE (oorzaak-gevolg) signaalwoorden:

a)

Hierdoor, doordat, daardoor, zodat

b)

ten eerste, ten tweede

c)

eerst, later, daarna

d)

ook, tevens, bovendien

136.

TOELICHTENDE signaalwoorden:

a)

namelijk, dat wil zeggen

b)

zo, met andere woorden

c)

bijvoorbeeld, ter toelichting.

d)

echter, zodat, omdat, daarom

137.

VOORWAARDELIJKE signaalwoorden:

a)

als, indien

b)

aangenomen dat, gesteld dat.

c)

tenzij, mits

d)

daarna, ten eerste, vervolgens

138.

De KERNZIN is de........

a)

De belangrijkste zin in een alinea

b)

De belangrijkste zin in een tekst

c)

De middelste zin van een alinea

d)

De middelste zin van een tekst

139.

Bij het TEKSTDOEL 'informeren' hoort de tekstsoort..........

a)

Beschouwing

b)

stripboek

c)

betoog

d)

uiteenzetting

e)

advertentie

140.

Bij het TEKSTDOEL 'opiniëren' hoort de tekstsoort..........

a)

Beschouwing

b)

stripboek

c)

betoog

d)

uiteenzetting

e)

advertentie

141.

Bij het TEKSTDOEL 'overtuigen' hoort de tekstsoort..........

a)

Beschouwing

b)

stripboek

c)

betoog

d)

uiteenzetting

e)

advertentie

142.

Bij het TEKSTDOEL 'activeren' hoort de tekstsoort..........

a)

Beschouwing

b)

stripboek

c)

betoog

d)

uiteenzetting

e)

advertentie

143.

Bij het TEKSTDOEL 'amuseren' hoort de tekstsoort..........

a)

Beschouwing

b)

stripboek

c)

betoog

d)

uiteenzetting

e)

advertentie

144.

wat kan een juiste volgorde zijn?

a)

Mening,

argument,

feit,

tegenargument,

weerlegging

b)

feit,

mening,

argument,

tegenargument

weerlegging

c)

weerlegging,

tegenargument

mening,

feit,

argument

d)

tegenargument,

feit,

argument,

mening,

weerlegging