Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

IDIOOM QUIZ G-H

Total questions: 51

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Op het eerste gezicht (indruk)

a)

Ergens voor de eerste keer, oppervlakkig naar kijken

b)

Niet prettig om naar te kijken

c)

Het scheelde maar heel weinig of het was mis gegaan

d)

Ergens heel veel spijt van hebben

2.

Geen gezicht ! (aanblik)

a)

Heel snel

b)

Niet prettig om naar te kijken

c)

Het scheelde maar heel weinig of het was mis gegaan

d)

Ergens heel veel spijt van hebben

3.

Het scheelde maar een haar(tje)

a)

Heel snel

b)

Ergens heel veel spijt van hebben

c)

Het scheelde maar heel weinig of het was mis gegaan

d)

Te veel werk op je nemen

4.

De haren uit je hoofd trekken

a)

Wat is er?

b)

Te veel werk op je nemen

c)

Heel snel

d)

Ergens heel veel spijt van hebben

5.

Hals over kop

a)

Heel snel

b)

Te veel werk op je nemen

c)

Wat is er?

d)

Herstellende zijn

6.

Je niet te veel op de hals halen

a)

Iets onder controle hebben

b)

Te veel werk op je nemen

c)

Wat is er?

d)

Herstellende zijn

7.

Wat is er aan de hand ?

a)

Verkeerd aflopen

b)

Iets onder controle hebben

c)

Wat is er?

d)

Herstellende zijn

8.

Aan de beterende hand zijn

a)

Steeds erger worden

b)

Iets onder controle hebben

c)

Herstellende zijn

d)

Verkeerd aflopen

9.

Iets in de hand hebben

a)

Het meeste zijn

b)

Verkeerd aflopen

c)

Steeds erger worden

d)

Iets onder controle hebben

10.

Uit de hand lopen

a)

Verkeerd aflopen

b)

Steeds erger worden

c)

Het meeste zijn

d)

In een oogwenk, snel

11.

Hand over hand toenemen

a)

Het meeste zijn

b)

Steeds erger worden

c)

In een oogwenk, snel

d)

Je aan de regels houden

12.

De overhand hebben

a)

Je aan de regels houden

b)

In een oogwenk, snel

c)

Het meeste zijn

d)

Je niet aan de regels houden

13.

In een hand omdraai

a)

Je aan de regels houden

b)

In een oogwenk, snel

c)

Je niet aan de regels houden

d)

Logisch zijn

14.

Ergens de hand aan houden

a)

Iets bevorderen, vaak onbedoeld iets negatiefs

b)

Je niet aan de regels houden

c)

Je aan de regels houden

d)

Logisch zijn

15.

Ergens de hand mee lichten

a)

Logisch zijn

b)

Je niet aan de regels houden

c)

Iets bevorderen, vaak onbedoeld iets negatiefs

d)

Iemands steun zijn

16.

Voor de hand liggen

a)

Logisch zijn

b)

Iemands steun zijn

c)

Iets bevorderen, vaak onbedoeld iets negatiefs

d)

Goed behandeld worden

17.

Iets in de hand werken

a)

Goed behandeld worden

b)

Iemands steun zijn

c)

Iets bevorderen, vaak onbedoeld iets negatiefs

d)

Even helpen

18.

Iemands rechterhand zijn

a)

Iemands steun zijn

b)

Even helpen

c)

Goed behandeld worden

d)

Niets te doen hebben

19.

In goede handen zijn

a)

Even helpen

b)

Goed behandeld worden

c)

Niets te doen hebben

d)

Ik heb geen energie om iets te doen

20.

Een handje helpen

a)

Even helpen

b)

Niets te doen hebben

c)

Ik heb geen energie om iets te doen

d)

Ze zijn het altijd met elkaar eens

21.

Niets om handen hebben

a)

Gemakkelijk iemand gaan slaan

b)

Ik heb geen energie om iets te doen

c)

Niets te doen hebben

d)

Raak me niet aan! Blijf van me af!

22.

Er komt niets uit mijn handen (vingers)

a)

Ik heb geen energie om iets te doen

b)

Ze zijn het altijd met elkaar eens

c)

Gemakkelijk iemand gaan slaan

d)

Raak me niet aan! Blijf van me af!

23.

Dat is twee handen op een buik

a)

Raak me niet aan! Blijf van me af!

b)

Gemakkelijk iemand gaan slaan

c)

Ze zijn het altijd met elkaar eens

d)

Iemand anders ongewenst aanraken

24.

Losse handjes hebben

a)

Wanhopig zijn

b)

Gemakkelijk iemand gaan slaan

c)

Raak me niet aan! Blijf van me af!

d)

Iemand anders ongewenst aanraken

25.

Hou je handen thuis! Handen thuis!

a)

Wanhopig zijn

b)

Raak me niet aan! Blijf van me af!

c)

Iemand anders ongewenst aanraken

d)

Zwaarmoedig, somber zijn

26.

Zijn handen niet thuis kunnen houden

a)

Zwaarmoedig, somber zijn

b)

Wanhopig zijn

c)

Iemand anders ongewenst aanraken

d)

Zelfmoord plegen

27.

Met de handen in het haar zitten

a)

Wanhopig zijn

b)

Zwaarmoedig, somber zijn

c)

Zelfmoord plegen

d)

Van binnen, zonder het te laten blijken, te zeggen

28.

Zwaar op de hand zijn

a)

Van binnen, zonder het te laten blijken, te zeggen

b)

Zelfmoord plegen

c)

Zwaarmoedig, somber zijn

d)

Iets erg vinden; verdriet hebben

29.

De hand aan zichzelf slaan

a)

Iets erg vinden; verdriet hebben

b)

Zelfmoord plegen

c)

Van binnen, zonder het te laten blijken, te zeggen

d)

(Niet) gemakkelijk

30.

In mijn hart

a)

Iets voor jou belangrijks willen zeggen

b)

Van binnen, zonder het te laten blijken, te zeggen

c)

Iets erg vinden; verdriet hebben

d)

(Niet) gemakkelijk

31.

Je aan het hart gaan

a)

Iets erg vinden; verdriet hebben

b)

(Niet) gemakkelijk

c)

Iets voor jou belangrijks willen zeggen

d)

Iemand iets dringend adviseren

32.

(Niet) van harte

a)

Iemand iets dringend adviseren

b)

Iets voor jou belangrijks willen zeggen

c)

(Niet) gemakkelijk

d)

Volkomen toegewijd

33.

Iets op het hart hebben

a)

Iemand iets dringend adviseren

b)

Iets voor jou belangrijks willen zeggen

c)

Volkomen toegewijd

d)

Misselijk worden van een bepaalde situatie

34.

Iemand iets op het hart binden/drukken

a)

Iemand iets dringend adviseren

b)

Misselijk worden van een bepaalde situatie

c)

Volkomen toegewijd

d)

Zonder je zorgen te hoeven maken

35.

Met hart en ziel

a)

Zonder je zorgen te hoeven maken

b)

Misselijk worden van een bepaalde situatie

c)

Volkomen toegewijd

d)

Bang zijn dat iets niet goed afloopt

36.

Je hart draait zich om in je lijf

a)

Ergens heel erg van schrikken

b)

Bang zijn dat iets niet goed afloopt

c)

Zonder je zorgen te hoeven maken

d)

Misselijk worden van een bepaalde situatie

37.

Met een gerust hart

a)

Je verliest de moed

b)

Ergens heel erg van schrikken

c)

Zonder je zorgen te hoeven maken

d)

Bang zijn dat iets niet goed afloopt

38.

Je hart vasthouden

a)

Bang zijn dat iets niet goed afloopt

b)

Ergens heel erg van schrikken

c)

Je verliest de moed

d)

Iemand moed inspreken

39.

De schrik slaat je om het hart

a)

Iets somber inzien; (bijna) niet geloven dat iets zal lukken

b)

Je verliest de moed

c)

Ergens heel erg van schrikken

d)

Iemand moed inspreken

40.

Het hart zinkt je in de schoenen

a)

Iets somber inzien; (bijna) niet geloven dat iets zal lukken

b)

Iemand moed inspreken

c)

Je verliest de moed

d)

De moed verliezen

41.

Iemand een hart onder de riem steken

a)

Iets somber inzien; (bijna) niet geloven dat iets zal lukken

b)

Iemand moed inspreken

c)

De moed verliezen

d)

Kalm blijven

42.

Ergens een hard hoofd in hebben

a)

De moed verliezen

b)

Iets somber inzien; (bijna) niet geloven dat iets zal lukken

c)

Kalm blijven

d)

Je goed op iets concentreren

43.

Het hoofd laten hangen

a)

Kalm blijven

b)

Je goed op iets concentreren

c)

De moed verliezen

d)

Dat ben ik helemaal vergeten!

44.

Het hoofd koel houden

a)

Dat ben ik helemaal vergeten!

b)

Je goed op iets concentreren

c)

Kalm blijven

d)

Iets per ongeluk vergeten

45.

Je hoofd erbij houden

a)

Iets per ongeluk vergeten

b)

Dat ben ik helemaal vergeten!

c)

Je goed op iets concentreren

d)

Het erg druk hebben; zorgen hebben

46.

Dat is me helemaal door het hoofd geschoten!

a)

Iets per ongeluk vergeten

b)

Dat ben ik helemaal vergeten!

c)

Het erg druk hebben; zorgen hebben

d)

Daar kan ik me nu niet mee bezighouden

47.

Iets over het hoofd zien

a)

Door diep nadenken een oplossing proberen te vinden

b)

Daar kan ik me nu niet mee bezighouden

c)

Het erg druk hebben; zorgen hebben

d)

Iets per ongeluk vergeten

48.

Veel aan je hoofd hebben

a)

Daar kan ik me nu niet mee bezighouden

b)

Het erg druk hebben; zorgen hebben

c)

Door diep nadenken een oplossing proberen te vinden

d)

Afzien van je plannen

49.

Mijn hoofd staat er niet naar

a)

Door diep nadenken een oplossing proberen te vinden

b)

Daar kan ik me nu niet mee bezighouden

c)

Afzien van je plannen

d)

Ik ben het zat!

50.

Je hoofd ergens over breken

a)

Door diep nadenken een oplossing proberen te vinden

b)

Ik ben het zat!

c)

Afzien van je plannen

d)

De jongensstem is een mannenstem aan het worden

51.

Iets uit je hoofd zetten

a)

De jongensstem is een mannenstem aan het worden

b)

Ik ben het zat!

c)

Afzien van je plannen

d)

Heel hard huilen; schreeuwen