NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsBeweging
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Jan fietst van huis naar school met een snelheid van 25 km/h. Terug fietst hij dezelfde weg met een snelheid van 15 km/h. Zijn zus Josien fietst zowel dezelfde heenweg als terugweg met een snelheid van 20 km/h. Welke uitspraak over de totale fietstijd, dus heenweg en terugweg samen, is waar?
a)
Jan heeft de minste tijd nodig.
b)
Josien heeft de minste tijd nodig.
c)
Ze doen er beide even lang over.
d)
Je hebt te weinig informatie om daar een uitspraak over te doen.
2.
Auto P rijdt met 30 m/s en moet stoppen voor een stoplicht. De auto remt eenparig vertraagd en staat na 4,0 s stil. Auto Q rijdt met 40 m/s en remt ook eenparig vertraagd. Auto Q staat na 3,0 s stil. Welke uitspraak over de remweg van beide auto’s is juist?
a)
De remweg van auto P is groter dan die van auto Q.
b)
De remweg van auto P is kleiner dan die van auto Q.
c)
De remweg van beide auto’s is gelijk.
d)
Je hebt te weinig informatie om daar een uitspraak over te doen.
3.
Tennisbal Q valt 1,0 s na tennisbal P vanaf dezelfde hoogte naar beneden. Wat kun je zeggen over de onderlinge afstand Δh en het verschil in snelheid Δv gedurende de val van P en Q? Verwaarloos de luchtweerstand.
a)
Zowel Δh als Δv nemen toe.
b)
Δh neemt tot en Δv neemt af.
c)
Δh neemt toe en Δv blijft gelijk.
d)
Zowel Δh als Δv blijven gelijk.
4.
De steilheid van de raaklijn in een punt van een (v,t)-diagram is:
a)
de afstand x.
b)
de versnelling a.
c)
de snelheid v.
d)
de gemiddelde versnelling.
5.
Een auto trekt op van 0 naar 50 km/h. Van de beweging wordt een (v,t)-grafiek gemaakt. Het oppervlak onder de (v,t)-grafiek is:
a)
de verandering in de versnelling Δa.
b)
de verandering in de snelheid Δv.
c)
de verplaatsing Δx.
d)
de verrichte arbeid W.
6.
Je gooit een bal recht omhoog de lucht in. Op het hoogste punt:
a)
zijn de snelheid en versnelling van de bal nul.
b)
is de snelheid van de bal niet nul, maar de versnelling wel.
c)
is de versnelling van de bal niet nul, maar de snelheid wel.
d)
zijn de snelheid en versnelling van de bal niet nul.
7.
In onderstaande figuur zie je de (v,t)-grafieken van twee remmende auto’s P en Q. Welke uitspraak is juist?
a)
De gemiddelde snelheid van beide auto’s tijdens het remmen is gelijk.
b)
De remvertraging van P is kleiner dan die van Q.
c)
De remweg van P en Q is hetzelfde.
d)
P heeft een kortere remweg.
8.
Twee auto’s rijden op dezelfde weg, dezelfde kant op. Op het tijdstip t = 0 s rijden beide auto’s precies naast elkaar. Auto P rijdt met 40 m/s en vertraagt eenparig. Auto Q rijdt met een constante snelheid van 20 m/s. Hieronder zijn de (v,t)-grafieken getekend van beide auto’s. Welke bewering is waar?
a)
Op tijdstip t = 5,0 s wordt auto P door auto Q ingehaald.
b)
Op tijdstip t = 5,0 s ligt auto P 100 m voor op auto Q.
c)
Op tijdstip t = 10 s wordt auto Q door auto P ingehaald.
d)
Op tijdstip t = 10 s wordt auto P door auto Q ingehaald
9.
Andries en Martijn fietsen elkaar tegemoet. Ze hebben beide een snelheid van 25 km/h en op tijdstip t = 0 s is de afstand tussen beide wielrenners 5,0 km. Na hoeveel minuten komen ze elkaar tegen?
a)
5,0 min
b)
6,0 min
c)
10 min
d)
12 min
10.
Peter en Berdien lopen elkaar op de afsluitdijk tegemoet. Peter heeft een snelheid van 17 km/h en Berdien een snelheid van 13 km/h. De afstand tussen beide bedraagt op een bepaald moment 15 km. Op dat moment begint een vogel van Peter naar Berdien te vliegen met een snelheid van 30 km/h. Als de vogel Berdien bereikt vliegt hij terug naar Peter. Dit herhaalt de vogel totdat Peter en Berdien elkaar tegenkomen. Welke afstand heeft de vogel totaal gevlogen?
a)
10 km
b)
15 km
c)
20 km
d)
30 km
Reset
