wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begintest Nederlands

Total questions: 25

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Iemand met liefdesverdriet heeft...

a)
een ruim hart
b)
een groot hart
c)
een gebroken hart
2.

Wie heel gelukkig is, is...

a)
in de zevende hemel
b)
onder de blote hemel
c)
een geschenk uit de hemel.
3.
Welk woord is goed gespeld?
a)
judooka
b)
worstelaar
c)
karateca
4.
Wat betekent: Hij slooft zich uit.
a)

Hij doet zijn werk zo langzaam mogelijk.

b)
Hij doet zijn werk overdreven goed
c)
Hij maakt zijn werk voor de avond af.
5.
Welk woord is juist gespeld?
a)
educatiev
b)
educatief
c)
educatif
6.
Wat is de correcte spelling?
a)
proffesioneel
b)
profesioneel
c)
professioneel
7.

Welk woord hoort erbij?

houden - uitschrijven - uitspreken

a)
vraaggesprek
b)
speech
c)
interview
8.

Welk woord hoort erbij?

Uitzenden - opnemen - spelen

a)
reportage
b)
wedstrijd
c)
reclamespotje
9.

Wat is het meervoud van

het schaap ?

a)

het schaapen

b)

de schapen

c)

het schapen

d)

de schappen

10.

Wat is het meervoud van

het mes ?

a)

het messen

b)

de mesen

c)

de meesen

d)

de messen

11.

wat is de juiste vervoeging (=conjugaison) van het werkwoord

nemen (=prendre)?

a)

Ik nem

b)

Ik neem

c)

Ik neemt

d)

Ik Nemen

12.

Wat is de correcte vervoeging van het werkwoord

graven (=creuser)?

a)

Wij graaven

b)

Jij gravt

c)

Ik graav

d)

hij graaft

13.

Wat kan vliegen?

a)
b)
c)
d)
e)
14.

Bij een schematische samenvatting vat je de hele tekst samen.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Wat doe je als eerste als je een schematische samenvatting maakt?

a)

Je leest de inleiding

b)

Je stelt de hoofdzaken vast

c)

Je leest de tussenkopjes

d)

Je vat het onderwerp samen

16.

Een overtuigende tekst probeerd iemand tot handelingen te zetten.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Wat is de juiste schrijfwijze?

a)

onmiddelijk

b)

onmiddellijk

c)

onmiddenlijk

18.

In welke zin is de komma juist geplaatst?

a)

Ik wil hier niet zijn, maar het moet van de leraar.

b)

Ik wil hier niet zijn maar, het moet van de leraar.

19.

Welke zin is juist?

a)

Ik ga met me vrienden naar de bioscoop.

b)

Ik ga met mijn vrienden naar de bioscoop.

20.

Vervoeg het werkwoord correct.

Mijn oma heeft veel (a)   (besparen) op de dagelijkse boodschappen.

21.

Vervoeg het werkwoord correct.

Ben jij (a)   (faceliften)?

22.

Maak een samenstelling.

rood + kool

(a)  

23.

Een nieuwsbericht is een.....

a)

Persuasive tekstsoort

b)

Informatieve tekstsoort

c)

Overtuigende tekstsoort

24.
In een recensie mag je negatief zijn over een boek.
a)
Juist
b)
Onjuist
25.

Welke maand is tussen augustus en oktober?

a)

december

b)

november

c)

september