wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

woordsoorten oefenen

Total questions: 13

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Voor een zelfstandig naamwoord (zn) kun je een lidwoord of een bijvoeglijk naamwoord zetten. Voorbeeldzin: De hond heeft een lange staart.'

a)

De zin klopt maar de voorbeeldzin is fout.

b)

De zin klopt en de voorbeeldzin is goed.

c)

De zin is fout maar de voorbeeldzin klopt.

d)

De zin is fout en de voorbeeldzin is fout.

2.

Een zelfstandig werkwoord is het belangrijkste werkwoord van de zin. Voorbeeldzin: In de zin 'De dierentuin is op woensdag geopend.' is 'woensdag' een zelfstandig werkwoord.

a)

De zin klopt maar in de voorbeeldzin is het foute woord gekozen.

b)

De zin klopt en in de voorbeeldzin is het goede woord gekozen.

c)

De zin is fout maar in de voorbeeldzin is het goede woord gekozen.

d)

De zin is fout en de voorbeeldzin is het foute woord gekozen.

3.

Die, dit, dat en 'deze', zijn aanwijsbare woorden. Voorbeeldzin: Als ik iets moet aanwijzen, vind ik dat moeilijk.

a)

De uitleg klopt maar de voorbeeldzin is fout.

b)

De uitleg klopt niet maar de voorbeeldzin is goed.

c)

De uitleg klopt en de voorbeeldzin is goed.

d)

De uitleg is fout en de voorbeeldzin is fout.

4.

In een zin met een voltooid deelwoord staat nooit een hulpwerkwoord. In de voorbeeldzin: ' Vorige week ben ik teruggekomen uit Aruba.' is 'ben' het hulpwerkwoord.

a)

De uitleg is goed maar de voorbeeldzin is fout

b)

De uitleg is goed en de voorbeeldzin is goed.

c)

De uitleg is fout en de voorbeeldzin is goed.

d)

De uitleg is fout en de voorbeeldzin is fout.

5.

Bij een voltooid deelwoord hoort een hulpwerkwoord.

a)

Dat klopt.

b)

Dat is fout, bij een voltooid deelwoord hoort een zelfstandig werkwoord.

c)

Dat is fout want een voltooid deelwoord heeft niets te maken met een hulpwerkwoord.

d)

Dat is goed want een zin is pas een goede zin als er een werkwoord in staat.

6.

Wat is onwaar over het bijwoord

a)

Een bijwoord zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord.

b)

Er zijn bijwoorden van tijd en bijwoorden van plaats.

c)

Een bijwoord zegt iets over een werkwoord.

d)

Een bijwoord is hetzelfde als een voegwoord.

7.

Benoem het woord in hoofdletters. 'Alles HAD een kleur gekregen, behalve de sneeuw.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

hulpwerkwoord

8.

Een zelfstandig werkwoord is het belangrijkste werkwoord van de zin. Voorbeeldzin: In de zin 'De dierentuin is op woensdag geopend.' is 'woensdag' een zelfstandig werkwoord.

a)

De zin klopt maar in de voorbeeldzin is het foute woord gekozen.

b)

De zin klopt en in de voorbeeldzin is het goede woord gekozen.

c)

De zin is fout maar in de voorbeeldzin is het goede woord gekozen.

d)

De zin is fout en de voorbeeldzin is het foute woord gekozen.

9.

Benoem het woord in hoofdletters. 'De aarde was bruin, het gras was GROEN en de zon was van goud.

a)

voorzetsel

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

hulpwerkwoord

10.

TENSLOTTE bleef er voor de sneeuw geen kleur over.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bijwoord

11.

De arme sneeuw besloot om één van de ANDEREN een beetje kleur te vragen.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bijwoord

12.

Ze vroeg aan de aarde om kleur maar de aarde SLIEP en gaf geen antwoord.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bijwoord

13.

Daarna vroeg ze het aan het gras, maar DAT gras was gierig en wilde niets geven.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bijwoord