wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica zinsdelen (theorie, 3 mavo)

Total questions: 11

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Je vindt de persoonsvorm door de vraag te stellen: 'Wie/wat + werkwoord'.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Je kunt de persoonsvorm vinden door...

a)

De zin vragend te maken

b)

De zin van tijd te veranderen

c)

De zin van getal te veranderen

3.

Is de verdeling van deze zin juist? 'De slimme kinderen / uit 3mC / hebben / deze zin / goed / ontleed.

a)

De zin is juist verdeeld

b)

De zin is onjuist verdeeld

4.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Alleen de persoonsvorm telt niet mee.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin? "Was jij die pan af met een spons of met een afwasborstel?"

a)

Was

b)

Was af

c)

afwassen

d)

er staat geen werkwoordelijk gezegde in

6.

Een lijdend voorwerp is een ding dat iets overkomt of ondergaat. Met andere woorden: het ding kan er niets aan doen dat er iets met hem gebeurt.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Een lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

"In de ochtend / ga / ik / met de scooter / naar school." Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Ik

b)

Met de scooter

c)

Naar school

d)

Er staat geen lijdend voorwerp in de zin.

9.

In elke zin staat een meewerkend voorwerp.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Wat is in deze zin het meewerkend voorwerp? " Samen met zijn ouders / koopt / Jorik / een cadeau / voor de verjaardag van zijn beste vriend.

a)

Samen met mijn ouders

b)

Jorik

c)

Voor de verjaardag van zijn beste vriend

d)

Er staat geen meewerkend voorwerp in de zin.

11.

De bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op de vragen als 'waar', 'waarheen', 'waarom', 'wanneer'.

a)

Juist

b)

Onjuist