wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Ziekenhuis

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

de arts

a)

Een dokter. Iemand die als taak heeft zieke mensen beter te maken

b)

Iemand die mensen verzorgd

c)

Iemand die opereert

d)

Iemand die vragen beantwoordt

2.

het bezoekuur

a)

In het ziekenhuis is dat de tijd van de dag waarop familie en vrienden een patiënt mogen bezoeken.

b)

Het uur dat je op bezoek gaat bij andere in het ziekenhuis.

c)

Het uur dat je iedereen moet zoeken in het ziekenhuis.

d)

Het uur dat je verstoppertje speelt in het ziekenhuis.

3.

de breuk

a)

De plek waar iets gebroken is.

b)

De plek waar gips omheen zit.

c)

Iets wat door de midden is.

d)

Iets wat gekneusd is,

4.

de chirurg

a)

Een dokter die mensen opereert

b)

Iemand die mensen beter maakt.

c)

Iemand die mensen verpleegd.

d)

Een dokter die gips zet.

5.

het gips

a)

Een hard verband dat om je gebroken arm of been wordt gedaan.

b)

Een leuk kleurtje om je arm op te fleuren.

c)

Een beeldje.

d)

Dit krijg je als je in het ziekenhuis op bezoekuur gaat.

6.

de kinderafdeling

a)

Een deel van het ziekenhuis speciaal voor kinderen.

b)

Een speciaal kinderziekenhuis.

c)

Een plek waar geen kinderen mogen komen.

d)

Een speciale kamer in het ziekenhuis waar de operaties worden gedaan.

7.

de operatiekamer

a)

Een speciale kamer in het ziekenhuis waar de operaties worden gedaan.

b)

Een speciale kamer voor kinderen.

c)

Een kamer waar je alleen ligt, zonder andere mensen.

d)

Een kamer waar je uit kan rusten.

8.

opgenomen worden

a)

Als je naar het ziekenhuis gaat en er moet blijven.

b)

Als je de telefoon op moet nemen.

c)

Zieke mensen verzorgen.

d)

De plek waar iets gebroken is.

9.

de recepetie

a)

Een plek vlak bij de ingang van een gebouw. Daar zit iemand bij wie je je moet melden als je binnenkomt,

b)

Een plek waar je bloemen kunt kopen en op kunt sturen.

c)

Een plek waar je kunt eten en drinken.

d)

Een plek dichtbij het ziekenhuis waar je cadeautjes kunt kopen.

10.

verplegen

a)

Zieke mensen verzorgen

b)

Iemand helpen

c)

Apparaten die bij elkaar horen

d)

Iemand zoeken die ver weg is

11.

aansteken

a)

Je ziekte aan iemand anders doorgeven.

b)

Een kaars aanmaken.

c)

Een besmettelijke ziekte gaat van de ene persoon naar de andere.

d)

De afloop of het resultaat.

12.

de apparatuur

a)

Apparaten die bij elkaar horen.

b)

Apparaten die langs elkaar staan.

c)

Iets wat je elk uur aanzet.

d)

Iets wat piept.

13.

besmettelijk

a)

Een besmettelijke ziekte gaat van de ene persoon naar de andere persoon.

b)

Iets heel erg vies.

c)

Eten dat niet lekker smaakt.

d)

Je ziekte aan iemand doorgeven.

14.

de dagbehandeling

a)

Een behandeling die maar één dag duurt.

b)

Je moet blijven slapen in het ziekenhuis.

c)

Dit zeggen ze als je klaar bent met de behandeling, dag!

d)

De afloop of het resultaat.

15.

de eenpersoonskamer

a)

Een kamer waar je alleen ligt, zonder andere mensen.

b)

Een kamer waar je met vrienden ligt.

c)

Een kamer waar personen in mogen slapen.

d)

Een speciale kamer in het ziekenhuis waar operaties worden gedaan.

16.

de hygiëne

a)

Wie op hygiëne let, zorgt ervoor dat alles netjes en schoon is.

b)

Je zorgt dan dat alles naar schoonmaakmiddel ruikt.

c)

Je zorgt ervoor dat alles zo vies mogelijk is.

d)

Iets wat je kunt eten.

17.

onder narcose

a)

Verdoofd.

b)

Wakker.

c)

Zieke mensen verzorgen.

d)

Als je in het ziekenhuis moet blijven.

18.

de spreekkamer

a)

In het ziekenhuis is dit een kamer waar een arts dingen met zijn patiënten bespreekt.

b)

Een ruimte waar je wacht tot je aan de beurt bent.

c)

Een plek vlak bij de ingang van het gebouw.

d)

Een speciale kamer in het ziekenhuis waar de operaties worden gedaan.

19.

de uitslag

a)

De afloop of het resultaat. Maar ook: pukkeltjes of vlekjes op je huid.

b)

Een besmettelijke ziekte gaat van de ene persoon naar de andere persoon.

c)

De plek waar iets gebroken is.

d)

Je ziekte aan iemand anders doorgeven.

20.

de wachtruimte

a)

Een ruimte waar je wacht tot je aan de beurt bent.

b)

Een kamer waar je alleen ligt, zonder andere mensen.

c)

Een deel van het ziekenhuis speciaal voor kinderen.

d)

In het ziekenhuis is dat de tijd van de dag waarop familie en vrienden een patiënt mogen bezoeken.