wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leven met Water

Total questions: 54

Worksheet time: 1hrs 11mins

Name
Class
Date
1.

Men weet weinig over het verband tussen kustveiligheid, zeespiegelstijging en bodemdaling.


Welk begrip past bij deze zin?

a)

overstromingsbesef

b)

overstromingsrisico

c)

overstromingsrisicobewustzijn

d)

overstromingsschade

2.

Wat is te zien op deze kaart?

a)

bodemdaling

b)

dijkringen

c)

overstromingsgebieden

d)

zwakke schakels

3.

Op de foto zie je een voorbeeld van een:

a)

dam

b)

dijkring

c)

primaire waterkering

d)

secundaire waterkering

4.

.......zorgen voor bescherming tegen het water, beheersing van het grondwaterpeil en voor de waterkwaliteit.

a)

gemeenten

b)

provincies

c)

waterkeringen

d)

waterschappen

5.

Bij een groeiende bevolking en een toename van de economische waarde van gebouwen en goederen, stijgt de/ het......................in een gebied.

a)

overstromingsrisico

b)

overstromingsrisicobewustzijn

c)

overstromingskans

d)

overstromingsschade

6.

Het grootste overstromingsgevaar dreigt bij .....................................en extra hoog water op zee.

a)

noordwesterstorm

b)

noordoosterstorm

c)

zuidwesterstorm

d)

zuidoosterstorm

7.

De zeespiegel zal stijgen a.g.v. het:

a)

natuurlijk broeikaseffect

b)

versterkt broeikaseffect

8.

In welk gebied komt de MINSTE kustafslag voor?

a)

deltagebied in Zeeland

b)

kust langs Noord-Holland

c)

kust langs Zuid-Holland

d)

Waddenzee

9.

In welk gebied kent een positieve zandbalans?

a)

deltagebied in Zeeland

b)

kust langs Noord-Holland

c)

kust langs Zuid-Holland

d)

Waddenzee

10.

Op de kaart zie je de locatie van het bouwwerk in Zeeland die het hoge water vanaf zee nauwelijks de Oosterschelde in laat gaan. Dit is een:

a)

dam

b)

dijkring

c)

stormvloedkering

d)

zeegat

11.

De Haringvlietsluizen staan tegenwoordig op een kier. Hierdoor wordt de.....................van de zee hersteld.

a)

getijdenwerking

b)

invloed

c)

overstromingskans

d)

zeestroming

12.

Wat is een "stroomgebied"?

a)

Het gebied waar rivieren zich vertakken

b)

Het gebied dat afwatert op een bepaalde rivier en zijn zijrivieren

c)

Het gebied waar de rivier in zee uitmondt

d)

Het gebied waar water op natuurlijke wijze wordt opgeslagen

13.

Wat is een "stroomgebied"?

a)

Het gebied waar rivieren zich vertakken

b)

Het gebied dat afwatert op een bepaalde rivier en zijn zijrivieren

c)

Het gebied waar de rivier in zee uitmondt

d)

Het gebied waar water op natuurlijke wijze wordt opgeslagen

14.

Wat kenmerkt de bovenloop van de Rijn?

a)

De rivier heeft een kleine hellingshoek en stroomt langzaam

b)

De rivier stroomt snel en er vindt veel erosie plaats

c)

De rivier mondt uit in de zee

d)

De rivier heeft een evenwicht tussen erosie en sedimentatie

15.

Waar mondt de Rijn uiteindelijk uit?

a)

In de Noordzee

b)

In de Oostzee

c)

In de Middellandse Zee

d)

In de Atlantische Oceaan

16.

Wat is de functie van een stuw in een rivier?

a)

Het verhogen van de snelheid van de rivier

b)

Het regelen van het waterniveau bovenstrooms

c)

Het verhogen van de erosie van de rivier

d)

Het verminderen van de hoeveelheid sediment in de rivier

17.

Wat is het debiet van de Rijn bij Lobith gemiddeld?

a)

200 m³/s

b)

2.200 m³/s

c)

16.000 m³/s

d)

600 m³/s

18.

Wat is het "regiem" van een rivier?

a)

De manier waarop een rivier zijn water afvoert in verschillende seizoenen

b)

De hoeveelheid neerslag die in het stroomgebied valt

c)

De snelheid waarmee de rivier stroomt

d)

De mate van sedimentatie in de rivier

19.

Welke van de volgende rivieren is een regenrivier?

a)

De Rijn

b)

De Maas

c)

De Schelde

d)

De Eems

20.

Wat is het verschil tussen de bovenloop, middenloop en benedenloop van een rivier?

a)

Het verval en de stroomsnelheid variëren

b)

De rivier is in de benedenloop sneller dan in de bovenloop

c)

De bovenloop heeft een lager debiet dan de benedenloop

d)

In de middenloop is er alleen erosie en geen sedimentatie

21.

Welke factor heeft de meeste invloed op het regiem van een rivier?

a)

De temperatuur van het water

b)

Het klimaat in het stroomgebied

c)

De diepte van de rivier

d)

Het aantal zijrivieren van de rivier

22.

Wat is het gevolg van een rotsachtige ondergrond voor de rivier?

a)

Meer infiltratie van water

b)

Minder infiltratie van water

c)

Het waterpeil stijgt sneller

d)

Er wordt meer sediment afgevoerd

23.

Wat is een "zijrivier"?

a)

Een rivier die alleen in de winter stroomt

b)

Een rivier die geen water bevat

c)

Een rivier die in een andere rivier uitmondt

d)

Een rivier die door een stad stroomt

24.

Wat is de belangrijkste oorzaak van overstromingen in een riviergebied?

a)

De breedte van de rivier

b)

Te veel neerslag in korte tijd

c)

De aanwezigheid van dammen

d)

De diepte van de rivier

25.

Wat is de functie van een rivierdelta?

a)

Het verminderen van de erosie van de rivier

b)

Het verhogen van de stroomsnelheid van de rivier

c)

Het opslaan van sediment en het creëren van nieuw land

d)

Het afvoeren van water naar de zee

26.

Waar of niet waar. Door ontbossing neemt de vertragingstijd toe.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

27.

Als het water in de rivier stijgt door veel neerslag in herfst en winter, dan is het mogelijk dat de zomerdijk/winterdijk overstroomt. Vul in welke dijk dan overstroomt.

(a)  

28.

Wat is geen voordeel van een krib?

a)

Verbeteren bevaarbaarheid

b)

Buitenbochten beschermen tegen erosie

c)

Stroomgeul blijft diep genoeg

d)

Bredere rivieren dus makkelijk bevaarbaar

29.

Noodoverloopgebieden zijn een voorbeeld van....

a)

Vasthouden

b)

Bergen

c)

Afvoeren

30.

Waar of niet waar: In het buitendijks gebied wonen de mensen.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

31.

Welk riviertype past bij deze zin:

Deze rivier krijgt zowel water van een smeltende gletsjer, als van neerslag die valt.

a)

Regenrivier

b)

Gemengde rivier

c)

Gletsjerrivier

d)

Smeltrivier

32.

Wat hoort er bij 4?

(a)  

33.

wat hoort er bij 7?

(a)  

34.

Welk profiel van een rivier zie je op de foto?

a)

dwarsprofiel

b)

lengteprofiel

c)

rivierprofiel

35.

Door toegenomen verstedelijking neemt het oppervlak van straten en wegen toe, waardoor regenwater sneller afspoelt.

(a)  

36.

Over welk begrip gaat de afbeelding?

(a)  

37.

Het paarse stroomgebied is van de rivier de....

a)

Waal

b)

IJssel

c)

Nederrijn

d)

Maas

38.

Is dit een voorbeeld van een

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

39.

Wat laat deze grafiek zien?

a)

Regiem

b)

Debiet

c)

Regiem en debiet

d)

Piekafvoer

40.

Letter A is.....

a)

Uiterwaard

b)

Zomerdijk

c)

Zomerbed

d)

Winterbed

41.

Letter D is....

a)

Uiterwaard

b)

Zomerdijk

c)

Zomerbed

d)

Winterbed

42.

Letter B is....

a)

Zomerdijk

b)

Winterdijk

c)

Zomerbed

d)

Winterbed

43.

Dit is een.....

a)

Dwarsprofiel

b)

Lengteprofiel

c)

Topografische kaart

44.

Wat gaat hier niet goed?

a)

De vertragingstijd is te lang

b)

De vertragingstijd is te kort

c)

De temperatuurstijging is te snel

d)

De temperatuurstijging is te kort

45.

De maximale afvoer van een rivier vindt plaats in periode met veel neerslag en / of smeltwater. De rivier heeft dan zijn....

a)

Piekafvoer

b)

Verval

c)

Verhang

d)

Vertragingstijd

46.

Deze plekken in de rivier de Maas zijn belangrijk. Wat liggen er op de plekken in de rivier?

a)

Kribben

b)

Dammen

c)

Verhangen

d)

Stuwen

47.

Is hier sprake van...

a)

Verhoging

b)

Verstening van het oppervlak

c)

Kanalisatie

d)

Verdroging

48.

Is hier sprake van...

a)

Verhoging

b)

Verstening van het oppervlak

c)

Kanalisatie

d)

Verdroging

49.
Het geheel van de hoofdstroom en de zijtakken noem je het stroomstelsel van een rivier.
a)
Juist
b)
Onjuist
50.
De uiterwaarden horen bij het buitendijkse gebied.
a)
Juist
b)
Onjuist
51.
Meanderhalsafsnijdingen en stroomgordelverleggingen zijn kenmerkend voor gebieden in de ...
a)

benedenloop

b)
middenloop
c)
bovenloop
52.

Welke oplossing van project ruimte voor de rivier zien we op deze afbeelding?

a)

Zomerbedverdieping

b)

Uiterwaardafgraving

c)

Dijkverlegging

d)

Nevengeul

53.

Wat heeft geen invloed op de vertragingstijd van een rivier?

a)

Verstening

b)

Ontbossing

c)

Kribben

d)

Bebouwing

54.

De totale hoeveelheid water die een rivier op een bepaald punt afvoer, noem je

a)

Het regiem

b)

Het debiet

c)

Piekafvoer

d)

Verval