Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippenlijst Nederlands

Total questions: 64

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Een met regelmaat verschijnend, kort stukje proza van een bepaalde auteur. Vaak wordt dit in een krant of tijdschrift gepubliceerd.

a)

roman

b)

column

c)

poëzie

d)

mythe

e)

legende

2.

Een samenhangend prozaverhaal van boeklengte over de handelingen en persoonlijkheidsontwikkeling van een of meer personages, meestal in relatie met hun milieu.

a)

roman

b)

column

c)

poëzie

d)

mythe

e)

legende

3.

Een vorm van literatuur die uit versregels is opgebouwd.

a)

roman

b)

column

c)

poëzie

d)

mythe

e)

legende

4.

Een verhaal waarin handelingen en gebeurtenissen beschreven worden uit een onbepaald verleden en waarin vaak goden, vreemde wezens en/of helden centraal staan.

a)

fabel

b)

sage

c)

poëzie

d)

mythe

e)

legende

5.

Een traditioneel volksverhaal dat zich afspeelt op een bekende plaats en op een bekend moment in de tijd en vaak gegroeid is om een historische kern. De ... is doorgaans een kortere vertelling dan een sprookje en behandelt een bepaalde vorm van volksgeloof.

a)

fabel

b)

sage

c)

poëzie

d)

mythe

e)

legende

6.

Een alternatieve levensbeschrijving van een heilige met toegevoegde fictieve elementen, waarin aan de betreffende persoon allerlei wonderen toegedicht worden.

a)

fabel

b)

sage

c)

poëzie

d)

mythe

e)

legende

7.

Een korte, verzonnen vertelling die een zedenles aanschouwelijk voorstelt.

a)

fabel

b)

sage

c)

poëzie

d)

mythe

e)

legende

8.

Een volksverhaal waarin vaak magie een rol speelt en een beroep wordt gedaan op de fantasie van de lezer of luisteraar. Het begint vaak met de stereotiepe openingsformule "Er was eens...".

a)

Fabel

b)

Sage

c)

Mythe

d)

Sprookje

e)

Legende

9.

Als twee woorden in de beklemtoonde lettergrepen een klankgelijkheid hebben. Het speelt een belangrijke rol in gedichten en wordt daarom als een stijlfiguur gezien.

a)

rijm

b)

alliteratie

c)

strofe

d)

metafoor

e)

mimiek

10.

Als twee woorden in de beklemtoonde lettergrepen een klankgelijkheid hebben. Het speelt een belangrijke rol in gedichten en wordt daarom als een stijlfiguur gezien.

a)

rijm

b)

alliteratie

c)

strofe

d)

metafoor

e)

mimiek

11.

Het herhaald gebruik van gelijke beginmedeklinkers in twee of meer beklemtoonde lettergrepen of woorden binnen een uitdrukking, prozazin of vers.

a)

rijm

b)

alliteratie

c)

strofe

d)

metafoor

e)

mimiek

12.

Een onderdeel van een gedicht. Het bevat doorgaans een zekere gedachte-eenheid. Het uiterlijke kenmerk hiervan is dat er zich voor en na de een witregel bevindt.

a)

rijm

b)

alliteratie

c)

strofe

d)

metafoor

e)

mimiek

13.

Een onderdeel van een gedicht. Het bevat doorgaans een zekere gedachte-eenheid. Het uiterlijke kenmerk hiervan is dat er zich voor en na de een witregel bevindt.

a)

rijm

b)

alliteratie

c)

strofe

d)

metafoor

e)

mimiek

14.

Een vorm van beeldspraak, waarbij er sprake is van een impliciete (onuitgesproken) vergelijking. Het afgeleide bijvoeglijk naamwoord is overdrachtelijk, met als synoniem figuurlijk.

a)

rijm

b)

alliteratie

c)

witregel

d)

metafoor

e)

mimiek

15.

1) Expressie 2) Gebarenkunst 3) Gebarenspel 4) Gebarentaal 5) Gelaatsuitdrukking 6) Gezichtsuitdrukking

a)

rijm

b)

alliteratie

c)

witregel

d)

metafoor

e)

mimiek

16.

Een type drogreden waarbij men niet het werkelijke standpunt van de tegenstander weerlegt maar een (karikaturale) variant daarvan.

a)

Feit

b)

Fictie

c)

Generalisatie

d)

Cirkelredenering

e)

Stropop-redenering

17.

Hiermee wordt een verhaal of gedachtegang aangeduid, die zich hoofdzakelijk in de fantasie van de auteur en de lezer afspeelt.

a)

Feit

b)

Fictie

c)

Generalisatie

d)

Cirkelredenering

e)

Drogreden

18.

Een redenering die niet correct is, maar wel aannemelijk lijkt.

a)

Feit

b)

Fictie

c)

Generalisatie

d)

Cirkelredenering

e)

Drogreden

19.

Veralgemening

a)

Feit

b)

Fictie

c)

Generalisatie

d)

Cirkelredenering

e)

Drogreden

20.

Een drogreden die volgt uit een manier van redeneren waarbij al als juist wordt aangenomen wat nog bewezen moet worden.

a)

Argumentum ex silentio

b)

Vals compromis

c)

Generalisatie

d)

Cirkelredenering

e)

Sage

21.

een woord dat door een taal is ontleend aan een andere taal.

a)

etymologie

b)

morfologie

c)

klanknabootsing

d)

neologisme

e)

leenwoord

22.

het deelgebied van de taalkunde dat de herkomst van woorden bestudeert.

a)

etymologie

b)

morfologie

c)

klanknabootsing

d)

neologisme

e)

leenwoord

23.

De leer van woordstructuur en woordvorming

a)

etymologie

b)

morfologie

c)

klanknabootsing

d)

neologisme

e)

leenwoord

24.

een willekeurig, nieuw woord in een gegeven taal.

a)

etymologie

b)

morfologie

c)

klanknabootsing

d)

neologisme

e)

leenwoord

25.

Een onomatopee is een woord dat fonetisch het geluid dat het beschrijft nabootst of suggereert. Bijvoorbeeld: piepen, brommer, bom, oehoe, koekoek, poef...

a)

etymologie

b)

morfologie

c)

klanknabootsing

d)

neologisme

e)

leenwoord

26.

Naamkunde is de studie die de betekenis, de oorsprong en de verspreiding van namen onderzoekt en is een onderdeel van de taalkunde.

a)

onomastiek

b)

geoniem

c)

eponiem

d)

bastaardwoord

e)

volksetymologie

27.

een woord dat is afgeleid van een geografische naam.

a)

onomastiek

b)

geoniem

c)

eponiem

d)

bastaardwoord

e)

volksetymologie

28.

De naam van een persoon, echt of fictief, die wordt gebruikt om een bepaald object of een bepaalde activiteit aan te duiden. Lynchen verwijst bijvoorbeeld naar Lynch, de naam van een echt persoon die ooit gelyncht werd.

a)

onomastiek

b)

geoniem

c)

eponiem

d)

bastaardwoord

e)

volksetymologie

29.

Een leenwoord waarvan de oorspronkelijke vorm aan de spelling, fonologie of morfologie van de nieuwe taal is aangepast. De woorden zijn dus aangepast, maar als dusdanig vaak nog herkenbaar als woord van vreemde afkomst. Bijvoorbeeld: calorie, krant, sigaar, pover.

a)

onomastiek

b)

geoniem

c)

eponiem

d)

bastaardwoord

e)

volksetymologie

30.

Als een woord door een gebruiker — onder invloed van andere daarop lijkende bekende woorden — naar zijn woordvorm op onjuiste wijze wordt geïnterpreteerd en dan volgens die interpretatie wordt uitgesproken en geschreven.

a)

onomastiek

b)

geoniem

c)

eponiem

d)

etymologie

e)

volksetymologie

31.

De biografie van een heilige

a)

Literatuur

b)

Lectuur

c)

Pulp

d)

Aforisme

e)

Hagiografie

32.

De lagere, populaire vorm van geschreven fictie.

a)

Literatuur

b)

Lectuur

c)

Pulp

d)

Aforisme

e)

Hagiografie

33.

De benaming voor een reeks goedkope fictie-tijdschriften die werden gepubliceerd van de jaren 20 tot de jaren 50 van de 20e eeuw.

a)

Literatuur

b)

Lectuur

c)

Pulp

d)

Aforisme

e)

Hagiografie

34.

Een korte, bondige uitspraak, vaak niet meer dan één zin lang. Vaak bevat deze een boodschap van wijsheid.

a)

Literatuur

b)

Lectuur

c)

Pulp

d)

Aforisme

e)

Hagiografie

35.

Ook wel 'letteren' genaamd. Het is de verzamelde schriftelijke neerslag van een land of van een periode, voor zover het geschriften betreft die hun waarde ontlenen aan veronderstelde vormschoonheid of emotioneel effect.

a)

Literatuur

b)

Lectuur

c)

Pulp

d)

Aforisme

e)

Hagiografie

36.

Een heldendicht is een lang, verhalend gedicht over een belangrijke mythologische of historische persoon en gebeurtenis.

a)

Marialegende

b)

Cultuursprookje

c)

Volkssprookje

d)

Broodjeaap-verhaal

e)

Epos

37.

Een verhaal dat inhoudelijk alle kenmerken van volkssprookjes vertoont (een ongebreidelde fantasie: kabouters, heksen, sprekende dieren en/of planten, toverij, enz.), maar waarvan de auteur bekend is.

a)

Marialegende

b)

Cultuursprookje

c)

Novelle

d)

Broodjeaap-verhaal

e)

Epos

38.

Een mondeling overgeleverd volksverhaal, dat naar de inhoud wordt gekenmerkt door zijn ongebreidelde fantasie, naar de vorm door een eenvoudige structuur (zinsbouw, compositie, karaktertekening). Het verhaal is erg oud en de auteur is onbekend.

a)

Marialegende

b)

Volkssprookje

c)

Novelle

d)

Broodjeaap-verhaal

e)

Epos

39.

Een legende waarin Maria een grote rol speelt.

a)

Marialegende

b)

Volkssprookje

c)

Novelle

d)

Broodjeaap-verhaal

e)

Epos

40.

Een (grotendeels) verzonnen verhaal dat als waargebeurd wordt doorverteld en daardoor aan overtuigingskracht wint.

a)

Marialegende

b)

Volkssprookje

c)

Novelle

d)

Broodjeaap-verhaal

e)

Epos

41.

een prozaverhaal van beperkte omvang

a)

Essay

b)

Stadssage

c)

Novelle

d)

Raamvertelling

e)

Dierenepiek

42.

Een beschouwende prozatekst of een artikel over een we­ten­schap­pe­lijk, cul­tu­reel of fi­lo­so­fisch on­der­werp, waarin de schrijver zijn persoonlijke visie geeft op hedendaagse verschijnselen, problemen of ontwikkelingen.

a)

Essay

b)

Stadssage

c)

Novelle

d)

Raamvertelling

e)

Dierenepiek

43.

Een verhaal of een verzameling verhalen over dieren waarin de dieren de verschillende menselijke karaktereigenschappen, zwakheden of slimmigheden, vertonen.

a)

Essay

b)

Stadssage

c)

Novelle

d)

Raamvertelling

e)

Dierenepiek

44.

Synoniem van dierenepiek

a)

Essay

b)

Stadssage

c)

Dierfabel

d)

Raamvertelling

e)

Dierenepiek

45.

Synoniem van broodjeaapverhaal

a)

Essay

b)

Stadssage

c)

Dierfabel

d)

Raamvertelling

e)

Dierenepiek

46.

Een narratieve techniek waarbij een bepaald verhaal de omlijsting vormt voor een aantal andere verhalen, de binnenvertellingen.

a)

Pulp

b)

Stadssage

c)

Hagiografie

d)

Raamvertelling

e)

Column

47.

Een deels verhalend, deels beschouwend prozastukje in een tijdschrift. Het gaat over een verschijnsel of voorval uit het alledaagse leven, dat scherp wordt geobserveerd en met humor wordt belicht.

a)

Cursiefje

b)

Kortverhaal

c)

Anekdote

d)

Parabel

e)

Aforisme

48.

Een kort prozawerk, langer dan een anekdote en korter dan een novelle en zich gewoonlijk beperkend tot slechts enkele personages.

a)

Cursiefje

b)

Kortverhaal

c)

Anekdote

d)

Parabel

e)

Aforisme

49.

een kort verhaal, gewoonlijk gesitueerd in het dagelijks leven, dat dient om een religieus, moreel of filosofisch idee te illustreren.

a)

Novelle

b)

Kortverhaal

c)

Anekdote

d)

Parabel

e)

Aforisme

50.

een kort onthullend verhaal over een opmerkelijk voorval dat veelal een fenomeen of karaktereigenschap moet verklaren.

a)

Novelle

b)

Kortverhaal

c)

Anekdote

d)

Parabel

e)

Aforisme

51.

iedere tekst die is geschreven of gesproken in de vorm van gewone taal.

a)

Proza

b)

Lyriek

c)

Epiek

d)

Dramatiek

e)

Poëzie

52.

De verzamelnaam voor verhalende producten van de literatuur, zowel in poëzie als in proza, waarbij de nadruk ligt op de beschrijving van gebeurtenissen en handelingen van personages.

a)

Proza

b)

Lyriek

c)

Epiek

d)

Dramatiek

e)

Poëzie

53.

Een literaire tekst waarin gevoelens centraal staan.

a)

Proza

b)

Lyriek

c)

Epiek

d)

Dramatiek

e)

Poëzie

54.

Dialogen, toneel

a)

Proza

b)

Lyriek

c)

Epiek

d)

Dramatiek

e)

Poëzie

55.

Een woordencombinatie waarmee men bewust een komisch of retorisch effect nastreeft.

a)

Ironie

b)

Parodie

c)

Satire

d)

Overdrijving

e)

Woordspeling

56.

Een hekeldicht is een kunstvorm waarbij vaak op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen wordt gegeven.

a)

Ironie

b)

Parodie

c)

Satire

d)

Overdrijving

e)

Woordspeling

57.

Een reden om een hyperbool te gebruiken kan zijn om bijvoorbeeld een emotie of een mening extra nadruk te geven.

a)

Ironie

b)

Parodie

c)

Satire

d)

Overdrijving

e)

Woordspeling

58.

Een persiflage is een spottende nabootsing van een gedicht, lied, film, toneelstuk, verhaal of andere kunstzinnige uiting. Vaak worden hierbij herkenbare eigenschappen van het origineel overdreven of uitvergroot.

a)

Ironie

b)

Parodie

c)

Satire

d)

Overdrijving

e)

Woordspeling

59.

Op een licht spottende manier het tegenovergestelde zeggen van wat men bedoelt, en dit op een manier die laat verstaan dat men het niet ernstig meent.

a)

Ironie

b)

Parodie

c)

Satire

d)

Overdrijving

e)

Woordspeling

60.

een gedicht of verhaal dat in zijn geheel symbool staat voor iets anders. Dit komt neer op een uitgesponnen metafoor die door het gehele werk heen wordt volgehouden.

a)

allegorie

b)

antropomorfisme

c)

metafoor

d)

synesthesie

e)

metoniem

61.

een vorm van beeldspraak, waarbij er sprake is van een impliciete (onuitgesproken) vergelijking.

a)

allegorie

b)

antropomorfisme

c)

metafoor

d)

synesthesie

e)

metoniem

62.

Een stijlfiguur waarbij een combinatie van indrukken van verschillende zintuigen in uitdrukkingen wordt gebruikt. Het kan worden gezien als een bijzondere vorm van de metafoor.

a)

allegorie

b)

antropomorfisme

c)

metafoor

d)

synesthesie

e)

metoniem

63.

het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke wezens: het tonen of behandelen van andere dieren, goden en voorwerpen alsof ze menselijk zijn qua uiterlijk, karakter of gedrag.

a)

allegorie

b)

antropomorfisme

c)

metafoor

d)

synesthesie

e)

metoniem

64.

Naast de metafoor, de belangrijkste vorm van beeldspraak. Bijvoorbeeld: 'even de neuzen tellen'; 'de olielamp brandt'; 'België won van Duitsland'

a)

allegorie

b)

antropomorfisme

c)

metafoor

d)

synesthesie

e)

metoniem