wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoorden - 5de leerjaar

Total questions: 12

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

(VT - Denken) Ik (a)   dat hij mijn vriend was.

2.

(VT - Antwoorden) Hij (a)   dat hij zijn boek niet bij had.

3.

Welk woord is de persoonsvorm?

Hij moet morgen de hele dag studeren.

a)

hij

b)

moet

c)

morgen

d)

studeren

4.

Wat is het onderwerp?

Morgen gaan An en Jan met de tractor naar de markt rijden.

a)

morgen

b)

An en Jan

c)

de tractor

d)

naar de markt

5.

Welke vorm is correct?

De vlinder _______ door de lucht.

a)

fladerde

b)

fladderte

c)

gefladderd

d)

fladderde

6.

Wat is de stam van het werkwoord "rijden"?

(a)  

7.

Wat is de persoonsvorm?

De gebakken cake stond in de keuken af te koelen.

a)

gebakken

b)

stond

c)

keuken

d)

af te koelen

8.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

(Zenden) Verleden week ______ mijn vader me een brief.

a)

verzendt

b)

verzonden

c)

verzond

d)

verzende

9.

(Posten) Twee weken geleden (a)   ik een brief.

10.

Het _____ tijd dat je je kamer ______.

a)

wordt / opruimd

b)

word / opruimt

c)

wordt / opruimd

d)

wordt / opruimt

11.

Het ______ dat ik met de fiets naar school _______.

a)

gebeurt / rijd

b)

gebeurd / rijd

c)

gebeurt / rijdt

d)

gebeurd / rijdt

12.

Vul de juiste vorm in.

Ik heb de hele dag _______.

a)

gewerkd

b)

werkte

c)

werk

d)

gewerkt