Font size
WorksheetsWerkwoorden - 5de leerjaar
Total questions: 12
Worksheet time: 8mins
(VT - Denken) Ik (a) dat hij mijn vriend was.
(VT - Antwoorden) Hij (a) dat hij zijn boek niet bij had.
Welk woord is de persoonsvorm?
Hij moet morgen de hele dag studeren.
hij
moet
morgen
studeren
Wat is het onderwerp?
Morgen gaan An en Jan met de tractor naar de markt rijden.
morgen
An en Jan
de tractor
naar de markt
Welke vorm is correct?
De vlinder _______ door de lucht.
fladerde
fladderte
gefladderd
fladderde
Wat is de stam van het werkwoord "rijden"?
(a)
Wat is de persoonsvorm?
De gebakken cake stond in de keuken af te koelen.
gebakken
stond
keuken
af te koelen
Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
(Zenden) Verleden week ______ mijn vader me een brief.
verzendt
verzonden
verzond
verzende
(Posten) Twee weken geleden (a) ik een brief.
Het _____ tijd dat je je kamer ______.
wordt / opruimd
word / opruimt
wordt / opruimd
wordt / opruimt
Het ______ dat ik met de fiets naar school _______.
gebeurt / rijd
gebeurd / rijd
gebeurt / rijdt
gebeurd / rijdt
Vul de juiste vorm in.
Ik heb de hele dag _______.
gewerkd
werkte
werk
gewerkt
