wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 H1 Wereldvoedselvraagstuk 1-3

Total questions: 26

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Landbouw die gericht op handelsgewassen.

(a)  

2.

Omstandigheden die ervoor zorgen dat een gebied vergeleken met andere gebieden een product of dienst beter en goedkoper kan leveren.

(a)  

3.

Het bestaan van tegenstrijdige belangen ten aanzien van het grondgebruik in een gebied.

(a)  

4.

Het vermogen van de aarde om enerzijds de biodiversiteit te handhaven en anderzijds aan de behoeften van de mens te voldoen.

(a)  

5.

Het verkopen van goederen tegen extreem lage prijzen, vaak onder de kostprijs.

(a)  

6.

Commerciele landbouw voor de uitvoer naar het buitenland.

(a)  

7.

Organisatie van de VN, in 1945 opgericht om bij te dragen aan de voedselzekerheid in de wereld.

(a)  

8.

Landbouw die onderdeel uitmaakt van een wereldwijd netwerk waarin gewassen geproduceerd, verwerkt, gedistribueerd en verkocht worden.

(a)  

9.

Verdeling van het grondbezit over de bevolking van een land.

(a)  

10.

Agrarische producten die verbouwd worden om te verhandelen. Naast voedselgewassen zijn dat landbouwproducten waar genotmiddelen van gemaakt worden en gewassen die niet als voedsel dienen.

(a)  

11.

Het beleid van landen en handelsblokken ten aan zien van de internationale handel.

(a)  

12.

Belastingen op goederen die ingevoerd worden (invoerrechten).

(a)  

13.

Situatie waarbij mensen te weinig voedingsstoffen binnenkrijgen om productief en gezond te blijven.

(a)  

14.

Situatie waarbij mensen te weinig energie binnenkrijgen om productief en gezond te blijven.

(a)  

15.

Geldelijke steun aan boeren om het inkomen aan te vullen.

(a)  

16.

Aankoop of huur van grond door buitenlandse overheden en multinationals om grootschalige commerciële landbouw te bedrijven.

(a)  

17.

De hoeveelheid die door een eenheid geproduceerd wordt.

(a)  

18.

Economisch stelsel dat gericht is op beschermende maatregelen, zoals importheffingen en landbouwsubsidies.

(a)  

19.

Het verschijnsel dat gebieden zich concentreren op de productie van goederen en/of levering van diensten waarvoor de meeste comparatieve voordelen gelden.

(a)  

20.

Toename van de bedrijfsgrootte, zodat efficiënter geproduceerd kan worden en een hogere productiviteit bereikt kan worden.

(a)  

21.

Zelfvoorzienende, niet-gemechaniseerde landbouw.

(a)  

22.

Verdrijving van grondgebonden activiteiten, met name kleinschalige landbouw naar andere gebieden.

(a)  

23.

Agrarische producten die verbouwd worden om als voedsel voor mensen te dienen.

(a)  

24.

Mate waarin voedsel veilig is voor menselijke consumptie.

(a)  

25.

De zorg voor het beschikbaar komen van voedsel als basisbehoefte.

(a)  

26.

De vraag hoe we iedereen op aarde op een duurzame manier van voldoende voedsel van goede kwaliteit kunnen voorzien.

(a)