wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Intern transport

Total questions: 12

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Op welke hoogte moet de wandelstok van de zorgvrager ingesteld worden

a)

Op handpalm hoogte als de ZV rechtstaat

b)

Op polshoogte als de ZV rechtstaat en schoenen aanheeft

c)

Op de hoogte van de handpalm als de ZV rechtstaat en schoenen aanheeft

d)

Op polshoogte en zonder schoenen

2.

Elleboogkrukken worden steeds gebruikt als er NIETS van belasting mag zijn op 1 been.

Van zodra er nog maar iets van belasting is moet je kiezen voor een ander hulpmiddel.

a)

juist

b)

fout

3.

Iemand met een slecht been links die trappen moet oplopen ga je op volgende manier helpen:

a)

Je laat hem de leuning goed vastnemen en laat hem eerst het SLECHTE been plaatsen en dan het goede been erbij. Je staat daarbij voor hem op de trap.

b)

Je laat hem de leuning goed vastnemen en laat hem eerst zijn GOEDE been plaatsen en dan het slechte been erbij. Je staat naast hem en ondersteunt zijn andere arm.

4.

Als de zorgvrager een been heeft dat slechter is dan het andere zal jij steeds ondersteunen aan de kant van het sterke been.

a)

juist

b)

fout

5.

De zorgvrager loopt met een wandelstok. Ze heeft een slecht been en wil wat hulp.

a)

Zij zal de wandelstok plaatsen aan de kant van het slechte been en ik zal ondersteunen aan de goede kant.

b)

Zij zal de wandelstok plaatsen aan de kant van het goede been en ik zal ondersteunen aan de kant van het slechte been.

6.

Aan een zorgvrager met verminderde kracht en pijn in de armen zal men volgend hulpmiddel voorstellen:

a)

rollator

b)

looprek

7.

Een looprek is bedoeld om binnenshuis te gebruiken.

a)

juist

b)

fout

8.

een wandelstok gebruik je aan

a)

de kant van het goede been

b)

de kant van het slechte been

9.

als de zorgvrager een slecht been heeft en een stok gebruikt zal jij ondersteunen aan

a)

de kant van het slechte been

b)

de kant van het goede been

10.

als de zorgvrager een slecht been heeft dan zal jij hem ondersteunen aan

a)

de slechte kant

b)

de goede kant

11.

als de zorgvrager geen last heeft aan zijn benen dan

a)

laat je hem kiezen aan welke kant je hem begeleid

b)

dan laat je hem niet kiezen maar zeg jij aan welke kant jij hem zal begeleiden

12.

bij het begeleiden aan de arm

a)

bepaalt de zorgvrager het tempo

b)

bepaal jij als zorgverlener het tempo